Het laatste van Schriftelijke Vragen

mei 22, 2012
Markt in Rozenburg (n.n.b)

mei 10, 2012
Dierenopvangcentra Rijnmond (n.n.b)

mei 04, 2012
Criminelen op billboards (n.n.b)

mei 02, 2012
Vrijmarkt Coolsingel (n.n.b)

mei 01, 2012
Politiezorg Rozenburg (n.n.b)

april 25, 2012
Bedrijfsreinigingsrecht (n.n.b)

april 24, 2012
Subsidie Megastad FM

april 18, 2012
Naheffing belastingen (n.n.b)

april 18, 2012
Opvanghuis Nora Storm (n.n.b)

april 17, 2012
Hennepplantage in pand WOM (n.n.b)

maart 27, 2012
Rappende homohater (n.n.b)

maart 26, 2012
Vervallen volkstuincomplex Bosdreef (n.n.b)

maart 23, 2012
Wooncarričre Woonbron (n.n.b)


Vragen over het krantenartikel ‘Het rommelt op Zuid’

Op 23 april 2007 stelde het raadslid, de heer M.G.T. Pastors (Leefbaar Rotterdam), ons college schriftelijke vragen over over het krantenartikel ‘Het rommelt op Zuid’.

Inleidend stelt de heer Pastors:
“Tijdens de actualiteitenraad van 18 januari jl. heb ik met uw college gesproken over het Volkskrantartikel ‘Het rommelt op Zuid’. Volgens dit artikel is er sprake van slechte aansturing, onduidelijke afspraken, belangenverstrengelingen, slechte afrekenbaarheid bij deelgemeentelijke opdrachten en sprake van een schimmige rol van de PvdA. De burgemeester heeft tijdens dit debat een aantal onderzoeken aangekondigd, waaronder een quick scan door de stadsmarinier. Informatie over deze onderzoeken zouden tezamen met informatie over de onderzoeken die reeds waren gestart (van The Firm, deelgemeente Charlois, deelgemeente Feijenoord/PriceWaterhouseCoopers) of afgerond (van The Firm en van Capae) aan de raad worden opgestuurd. De burgemeester noemde hierbij een termijn van een of twee weken.

Omdat ik nog geen enkel onderzoek had gezien, heb ik in de commissie BVM van 1 maart gevraagd waar deze onderzoeken bleven. Inmiddels is het 23 april – ruim dertien weken na de actualiteitenraad. Ik heb geen bericht ontvangen van vertraging, met aankondiging van een nieuwe termijn, terwijl dit gebruikelijk is wanneer termijnen zo ernstig worden overschreden. Het enige dat de raad heeft mogen ontvangen is een planning m.b.t. een onderzoek naar de WOM. Dat onderzoek hebben wij onlangs ontvangen. Begin 2006 is echter ook onderzoek gedaan door het OBR naar de WOM. Ik heb destijds aan dit onderzoek meegewerkt. ”

Hieronder volgen zijn vragen en onze beantwoording.

Vraag 1:
Wilt u dit onderzoek ook aan de raad doen toekomen?

Antwoord:
Zoals verwoord in de brief die ons college op 5 april naar uw raad heeft gezonden, heeft directeur OBR vanaf juni 2006 een interne audit laten uitvoeren naar de samenwerking tussen gemeente enerzijds en de stichting WOM en WOM vastgoed BV anderzijds. Dit interne onderzoek is eind oktober 2006 afgerond, heeft een eerste inzicht gegeven in de feitelijke situatie en is voor ons college aanleiding geweest om de ASR opdracht te geven onderzoek te doen. De ASR heeft een uitvoerig onderzoek uitgevoerd en het rapport, zoals dat naar u toe is gestuurd vormt een uitvoeriger weergave van hetgeen in oktober reeds was geconstateerd. Om die reden gaan wij er dan ook van uit dat het ASR-rapport u alle benodigde informatie geeft.

Vervolgens stelt de heer Pastors het volgende:
“Ik vraag mij af of het College de ernst van de situatie onderkent. In de actualiteitenraad leek dit zo te zijn, dus het lijkt er op dat er echt iets aan de hand is. Juist dan is het verkeerd de raad niet op de hoogte te brengen.”

Vraag 2:
Kunt u mij uitleggen waarom er sprake is van zo’n grote vertraging?

Antwoord:
De langere doorlooptijd van het onderzoek is voornamelijk veroorzaakt door de hoor en wederhoor die is toegepast en de verwerking van de resultaten daarvan in de rapportage.

Vraag 3:
Bent u met mij van mening dat het niet getuigt van daadkracht en transparantie wanneer dit College zo lang doet over zo’n gevoelig onderwerp als dit?

Antwoord:
Neen, in deze hebben wij gekozen voor zorgvuldigheid van het onderzoeksproces.

Vraag 4:
Wanneer gaat u alle reeds afgeronde onderzoeken aan de raad zenden?

Antwoord:
Heden is een brief aan de raad gezonden het onderzoek naar de uitvoering van de projecten aan de Dordtselaan. Het onderzoeksrapport van The Firm is met de brief meegezonden.

Vraag 5:
Zijn tijdens de onderzoeken meer van het soort praktijken als beschreven in ‘Het Rommelt op Zuid’, eventueel ook bij andere deelgemeenten, gebleken?

Antwoord:
Neen

Vraag 6:
Gaat u hier meer onderzoek naar doen of vertrouwt u erop dat u de situatie goed in beeld heeft?

Antwoord:
Er is thans geen aanleiding om, anders dan hetgeen is vermeld in de eerder genoemde brief, maatregelen te nemen.

Vervolgens stelt de heer Pastors het volgende:
“In de actualiteitenraad van 18 januari heb ik gevraagd of het College bereid was om samen met de stadsmarinier binnen een maand alle vastgelopen projecten op de Dordtselaan vlot te trekken.”

Vraag 7:

Is dit inmiddels gebeurd?

Antwoord:
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de heden verzonden brief.

Vervolgens stelt de heer pastors het volgende:
“Zoals gezegd, zijn de problemen die in het Volkskrantartikel worden genoemd, fors. Omdat het om veel gemeenschapsgeld gaat, is het de verantwoordelijkheid van bestuurders en ambtenaren om hier zorgvuldig mee om te gaan en om zoveel mogelijk terug te krijgen voor elke uitgegeven euro. Dit is niet alleen een zaak van de deelgemeenten, maar ook van de stad. We hebben een wethouder Bestuur, een wethouder Financiën, een directie Financiën, een accountantsdienst, een rekenkamer en een gemeenteraad die ieder op hun manier verantwoordelijk zijn voor de totale stadsbegroting.

In de actualiteitenraad heb ik hierover een aantal vragen gesteld. Ik stel ze hier opnieuw, zodat ik in elk geval antwoord mag verwachten.”

Vraag 8:
Welke verantwoordelijkheid ligt er volgens u bij het stadsbestuur en de gemeentelijke ambtelijke organisatie ten aanzien van het volgen van de gemeentelijke richtlijnen door deelgemeenten?

Antwoord:
Ook de deelgemeentebesturen dienen zich uiteraard te houden aan zowel Europese als gemeentelijke regels en richtlijnen bij de inzet van de gemeenschapsgelden. Hierop wordt op grond van de Gemeentewet en de Deelgemeenteverordening toezicht uitgeoefend door het stadsbestuur. Dit toezicht is voor de onderhavige situatie nog verder uitgewerkt in schriftelijke afspraken tussen de deelgemeente en ons college.

Vraag 9:
Wat gaat u als gemeentebestuur doen aan het volgen van de aanbestedingsrichtlijnen bij deelgemeenten, waarbij wij om te beginnen denken aan een onderzoek?

Antwoord:
De naleving van bestaande richtlijnen maakt deel uit van de reguliere accountantscontrole door Audit-services Rotterdam.

Vraag 10:
Wat gaat u als gemeentebestuur doen om de naleving van verantwoordingsrichtlijnen bij deelgemeenten te bevorderen?

Antwoord:
In het geval van EFRO –subsidies is sprake van een bestaand toezicht door het programma-management, onder verantwoordelijkheid van het college. Indien daar aanleiding toe is zal het programma-management de deelgemeente (als eindbegunstigde van de subsidie) daarop aanspreken.

Vraag 11:
Wat gaat u als gemeentebestuur doen aan het versterken van het opdrachtgeverschap bij deelgemeenten?

Antwoord:
De kwaliteit van het opdrachtgeverschap is een verantwoordelijkheid van de deelgemeenten zelf. In voorkomend geval, kan ons college bijstand en ondersteuning verlenen.

Vraag 12:
Wat gaat u als gemeentebestuur doen om de transparantie van relaties tussen partijen, bewonersorganisaties, dagelijks bestuur, deelgemeenteraden en ingehuurde derden te bevorderen?

Antwoord:
De formele relaties tussen de partijen die in de vraag worden genoemd worden beheerst door de algemene richtlijnen inzake zakelijkheid, integriteit en bestuursrechterlijke en civielrechtelijke afspraken (contracten en andere overeenkomsten). Wij zien geen reden om daarin verandering aan te brengen. We verwijzen tot slot naar de beantwoording bij vraag 8.

Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,


De Secretaris, De Burgemeester,

Behandelend ambtenaar: me boer