vragen over gescheiden inzameling van frituurvet
Op woensdag 14 februari 2007 stelde het lid van uw raad, de heer H.C. van Schaik (Leefbaar Rotterdam), ons college schriftelijke vragen over gescheiden inzameling van frituurvet.
Inleidend stelt de heer Van Schaik:
“Het stimuleren van biobrandstoffen is één van de middelen om in de toekomst tot een beter milieu te komen. Gescheiden afvalinzameling is een andere. Zo kan gescheiden inzameling van frituurvet leiden tot een lagere belasting van het riool. Ik vraag mij af of wij deze zaken kunnen combineren. Een bedrijf uit Wageningen verzorgt reeds inzameling van frituurvet, waar in Duitsland biodiesel van wordt gemaakt. Er wordt dus nog geld mee verdiend ook. Wat ons betreft een mogelijke parel op milieugebied, omdat het mes hier aan drie kanten snijdt.”
Hierop volgen zijn vragen en onze beantwoording.
Vraag 1:
Wat vindt u van het inzamelen van frituurvet van particulieren?
Antwoord:
Wij zijn positief ten aanzien van het inzamelen van gebruikt frituurvet. Dit frituurvet is een afvalstof die voor enige overlast zorgt als deze in het riool terechtkomt. Op dit moment bestaat de mogelijkheid voor burgers om deze stof apart aan te leveren op de milieuparken, doch dit gebeurt nog niet op grote schaal. Grootverbruikers hebben (over het algemeen) een vuilafvoer contract voor deze afvalstof met een vetveredelingsbedrijf.
Vraag 2:
Bent u bereid inzamelpunten voor dit frituurvet in het leven te roepen, bijvoorbeeld bij supermarkten en glasbakken?
Antwoord:
Recentelijk is de Roteb een onderzoek gestart om te kijken naar het rendement van de inzameling van gebruikte frituurvet en andere oliën. In dit onderzoek wordt vanzelfsprekend ook gekeken naar de wijze waarop de inzameling het beste vorm kan worden gegeven.
Het opzetten van inzamelpunten bij supermarkten zou een mogelijkheid kunnen zijn. Risico op stankoverlast en vervuiling van het in te zamelen frituurvet en ook de relatief lage inzamelingsvolumes maken het niet praktisch om dergelijke punten bij glasbakken te organiseren. Voor de zomer zal het onderzoek van de Roteb zijn afgerond en kan dieper op de kans van het inzamelen worden ingegaan. De resultaten zullen bij de uitvoering van het Rotterdam Energy and Climate Programme worden meegenomen.
Vervolgens stelt de heer Van Schaik het volgende:
“De biodiesel met frituurvet zorgt voor een lagere uitstoot van CO2 .”
Vraag 3:
In hoeverre geldt dit voor NOx en fijn stof?
Antwoord:
Metingen die de Roteb onlangs heeft uitgevoerd laten zien dat de uitstoot van sommige schadelijke stoffen door het gebruik van biodiesel vermindert. Het type voertuig, de afstelling van het voertuig en het soort biodiesel zijn hierbij van grote invloed. Uit de metingen is naar voren gekomen dat de uitstoot van NOx bij biodiesel iets hoger uit valt dan bij reguliere diesel, maar dat de uitstoot van fijnstof, koolmonoxide en koolwaterstoffen bij biodiesel lager uitvalt. De fijne stof deeltjes die bij biodiesel vrij komen lijken kleiner te zijn dan bij reguliere diesel. Dit effect is negatief voor de gezondheid en verkleint het voordeel van biodiesel voor de luchtkwaliteit. Welk effect biodiesel gemaakt van frituurvet precies heeft op de deeltjesgrootte van fijnstof is ons nog niet bekend. Enige voorzichtigheid is dus geboden. Er wordt momenteel gezocht naar meer informatie over deze relatie.
Vraag 4:
Wat vindt u van de verwerking van dit frituurvet in biodiesel en zou u dit willen stimuleren?
Antwoord:
Wij staan in principe positief tegenover de verwerking van frituurvet in biodiesel, maar omdat het effect van biodiesel op de luchtkwaliteit niet altijd positief is zijn wij voorzichtig met het stimuleren ervan. Omdat bekend is dat het effect van bio-ethanol positief is voor zowel CO2 , NOx en fijn stof, is de huidige inzet van ons college gericht op het stimuleren van bio-ethanol.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De Secretaris, De Burgemeester,
A.H.P. van Gils I.W. Opstelten
Behandelend ambtenaar: B. van Bakel