Het laatste van Schriftelijke Vragen

mei 22, 2012
Markt in Rozenburg (n.n.b)

mei 10, 2012
Dierenopvangcentra Rijnmond (n.n.b)

mei 04, 2012
Criminelen op billboards (n.n.b)

mei 02, 2012
Vrijmarkt Coolsingel (n.n.b)

mei 01, 2012
Politiezorg Rozenburg (n.n.b)

april 25, 2012
Bedrijfsreinigingsrecht (n.n.b)

april 24, 2012
Subsidie Megastad FM

april 18, 2012
Naheffing belastingen (n.n.b)

april 18, 2012
Opvanghuis Nora Storm (n.n.b)

april 17, 2012
Hennepplantage in pand WOM (n.n.b)

maart 27, 2012
Rappende homohater (n.n.b)

maart 26, 2012
Vervallen volkstuincomplex Bosdreef (n.n.b)

maart 23, 2012
Wooncarričre Woonbron (n.n.b)


Vragen over de deelgemeenten (n.a.v. uitspraak van minister Remkes)

Inleidend stelt de heer Simons:
“Minister Remkes heeft in het tv programma Buitenhof (22-10-2006) verklaard geen heil meer te zien in de deelraden in Amsterdam en Rotterdam. Het NRC van 24 oktober jl. kopt ‘Achter elke boom een raadslid’. Een belangrijk punt in deze maatschappelijke en politieke discussie is dat deelraden een bijdrage leveren aan de bestuurlijke drukte en daarmee bijdragen aan een versnippering en een vermindering van de slagkracht van het bestuur. Een ander belangrijk argument in deze discussie is: dat uit onderzoek blijkt dat de burgers behoefte hebben aan een servicekantoor in hun wijk, maar geen behoefte hebben aan een kostbare, inefficiënte en ineffectieve politieke bestuurslaag.
Naast het bovengenoemde hebben de drie grootste landelijke politieke partijen in hun verkiezingsprogramma’s opgenomen dat ze een zo effectief en efficiënt mogelijk bestuur willen voor Nederland. Waarbij het afschaffen van een of meer bestuurslagen als oplossing wordt aangedragen.
U heeft als college in het collegeprogramma te kennen gegeven dat het een doelstelling is om een zo effectief en efficiënt werkende lokale overheid na te streven. Naar aanleiding hiervan is er een onderzoek ingesteld naar de efficiëntie en effectiviteit van de Rotterdamse bestuurlijke organisatie.
De afgelopen jaren zijn er diverse onderzoeken gedaan naar het functioneren van de deelgemeenten, waaronder een rapport van het vorige college 'Rotterdam georganiseerd bestuurd... en zo gaan we dat doen', een rapport van de commissie Wolfson en recent een rapport van de commissie De Grave over bestuurlijke drukte. De conclusies zijn duidelijk: teveel politiek (bestuurlijke) drukte en te weinig service aan de burgers.”

In reactie op deze inleiding willen wij graag verwijzen naar een onderzoek uitgevoerd onder de burgers van de gemeente Rotterdam naar het functioneren van de (deel-)gemeentelijke overheid, waaruit de onderzoekers van het marktonderzoekbureau Geerts & Jurgens uit Nijmegen in februari 2006 het volgende concludeerden:
“Ongeveer 80% van de Rotterdammers zegt goed te weten waarvoor ze bij hun deelgemeente moeten zijn. Doet hun deelgemeente de dingen die ze zou moeten doen? Nee, zegt 58%: ‘Ze houden zich teveel bezig met kleine, onbelangrijke dingen’. Mag de deelgemeente dan opgeheven worden? Nee, zegt driekwart van de Rotterdammers. In tegendeel: ‘De deelge-meente moet meer te zeggen krijgen over de wijk waar ik woon’ – vindt 73% van de burgers. De deelgemeente is naar mening van tweederde van de burgers (redelijk) goed op de hoogte van problemen in de buurt, het stadsbestuur is dat naar mening van ongeveer de helft van de burgers.
Kortom: de deelgemeente moet in de ogen van een ruime meerderheid niet alleen bezig zijn met het leveren van diensten en het uitvoeren van beleid, maar tevens wijkgericht beleid ontwikkelen.”

“Een laag op deelgemeenteniveau moet volgens een ruime meerderheid blijven bestaan. De belangrijkste motivering hiervoor is dat in een stad van deze omvang, de deelgemeente beter dan een stadsbestuur de belangen van de burgers op wijkniveau kan behartigen. Ze staat immers dichter bij de burger, weet wat er leeft en kent de specifieke problemen van die wijken. De meeste burgers met wie gesproken is, zijn dan ook voor het handhaven van deelgemeenten ondanks het feit dat het systeem momenteel onvoldoende goed functioneert. Slechts een kleine groep mensen voelt er wat voor om de hele deelgemeente op te heffen. […]

Een meerderheid van de burgers waarmee gesproken is, vindt dat het stadsbestuur ook in de toekomst het beleid op hoofdlijnen moet ontwikkelen en de middelen over de verschillende deelgemeenten
dient te verdelen. Voorstanders van uitbreiding van deelgemeente¬competenties denken concreet aan meer autonomie/armslag voor de deelgemeente bij de verdeling van middelen en mandaat/meer bevoegdheden t.a.v. de invulling van het gemeentelijk beleid op deelgemeente- en wijkniveau.”

Uit dit onderzoek blijkt dus dat de Rotterdammers genuanceerd aankijken tegen de bestuurlijke organisatie in onze stad, omdat serviceverlening en burgernabijheid vanuit hun optiek in elkaar overlopende begrippen zijn. Deze ‘bottom up’ zienswijze levert kennelijk andere meningen op dan wanneer het bestuurlijk landschap wordt bekeken vanuit de top van een ministerie. Met die nuancering als achtergrond willen wij de vragen van de heer Simons beantwoorden.

Hieronder volgen zijn vragen en onze beantwoording.

Vraag 1:
In hoeverre heeft het college de lokale en landelijke beloftes en wensen omtrent de vermindering van bestuurlijke drukte meegenomen in het huidige collegestandpunt over de deelgemeenten?

Antwoord:
Wij zijn verheugd dat de, ook door ons gewenste, vermindering van de bestuurlijke drukte nu ook landelijk op de agenda staat. Niet in de laatste plaats, omdat dat te danken is aan het initiatief van onze burgemeester.
Die heeft immers eind 2005 deze problematiek voor wat betreft de Randstad al aangekaart, samen met zijn collega’s in Amsterdam,
Den Haag en Utrecht en de Commissarissen van de Koningin van de vier provincies die tezamen de Randstad vormen, oftewel de zogeheten ‘Holland 8’.

Naar aanleiding van dat signaal van de ‘Holland 8’ heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inmiddels een tweetal notities over de toekomst van het zogeheten ‘middenbestuur’ laten verschijnen.

In zijn laatste notitie (‘De toekomst van het decentrale bestuur, het decentrale bestuur van de toekomst’, 25 oktober 2006) stelt de minister, overigens zonder nadere bewijsvoering, dat het deelradenstelsel “(…) heeft geleid tot een toename van het aantal bestuurders, zonder dat de kwaliteit van de lokale bestuursvoering wezenlijk is verbeterd en de tevredenheid van de burgers in de lokale politiek is toegenomen”. Daarom concludeert de minister “(…) dat het deelradenstelsel dringend heroverweging verdient”.

Wij zetten grote vraagtekens bij deze analyse van de minister. Uit het hierboven aangehaalde onderzoek zou naar wij menen ook de conclusie getrokken kunnen worden: er is vanuit de burgers kennelijk wčl behoefte aan een sub-lokaal bestuur in een stad als Rotterdam.

Desalniettemin sluit de ministeriële oproep om tot heroverweging over te gaan wel naadloos aan bij hetgeen wij daarover schreven in ons collegeprogramma: “De bestuurlijke organisatie wordt afgestemd op de opgaven van de stad. We willen de besluitvorming over de bestuurlijke structuur van Rotterdam afronden. Vóór 1 december 2006 is er een Plan van Aanpak voor de herstructurering van de bestuurlijke organisatie.” Wij zullen dit in overleg met de deelgemeenten opgestelde plan van aanpak zo spoedig mogelijk aan uw raad voorleggen.

Vraag 2:
Is het college van plan -gezien de huidige politieke en maatschappelijke discussie over de bestuurlijke drukte- het standpunt betreffende de deelgemeenten in Rotterdam te herzien?

Antwoord:
Zie onze beantwoording van vraag 1.

Vraag 3:
In welke mate worden de opmerkingen van minister Remkes omtrent de deelraden meegenomen in het onderzoek naar de efficiëntie en effectiviteit van de Rotterdamse bestuurlijke organisatie?

Antwoord:
De wijze waarop wij binnen onze stad het bestuur inrichten is een zaak die wij als gemeentebestuur van Rotterdam zčlf uitmaken. Met alle waardering: daar gaat de minister dus niet over. Dat laat onverlet dat wij in onze aanpak van de herstructurering van de ambtelijke en bestuurlijke organisatie van
de gemeente natuurlijk zowel de efficiëntie als de effectiviteit een rol zullen laten spelen. Want daar zijn de burgers bij gebaat. En om hen moet een bestuurlijk stelsel draaien.

Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,

De Secretaris, De Burgemeester,


H. de Jong. l.s. I.W. Opstelten


Behandelend ambtenaar: M.G. Hordijk