Rotterdam, 25 oktober 2011.
Onderwerp:
Beantwoording van de schriftelijke vragen van het raadslid mevrouw drs. M. Živanović (Leefbaar Rotterdam) over tuchtscholen.
Aan de Gemeenteraad,
Op 13 september 2011 stelde het raadslid mevrouw drs. M. Živanović (Leefbaar Rotterdam) ons schriftelijke vragen over tuchtscholen.
Inleidend wordt gesteld:
“Onhandelbare jongeren verzieken het klimaat op en rond de school. Door de oprichting van een Rotterdamse tuchtschool zouden de leerlingen niet langer lijden onder de terreur van een kleine groep onhandelbare jongeren, de werkdruk van docenten zou erdoor verminderen en het zou moeten leiden tot een afname van de maatschappelijke overlast. Plaatsing op de tuchtschool zou namelijk moeten leiden tot gedragsverandering. De tuchtschool dient een bijdrage te leveren aan de vermindering van schooluitval, jeugdcriminaliteit en overlast door hangjongeren. De motie De Waal/Kriens (2004-1803) verzocht om met ingang van het schooljaar 2004-2005 zo’n Rotterdamse tuchtschool op te richten en deze motie is aangenomen.
In de beantwoording van de schriftelijke vragen School Veiligheids Teams (SVT’s) noemt u enkele resultaten van de initiatieven die zijn uitgewerkt vanwege de motie betreffende de oprichting van een Rotterdamse tuchtschool. U geeft daarbij onder andere aan dat in het schooljaar 2009-2010 257 leerlingen op de OOVR geplaatst zijn met een gemiddelde verblijfsduur van 16 weken. Graag ontvangen wij meer informatie over het volgen van trajecten in dit kader.”
Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:
Vraag 1:
Hoeveel leerlingen zijn er vanaf de start van de tuchtschool tot heden geplaatst op elk van de vier initiatieven?
Antwoord:
Sinds de start van de Onderwijs Opvang Voorzieningen Rotterdam (OOVR) zijn ongeveer 2.400 jongeren in de OOVR geplaatst. Het Educatief Centrum heeft sinds de start in 2006 ongeveer 420 jongeren begeleid. De Nieuwe Kans heeft vanaf de start in september 2007 rond de 200 jongeren geplaatst. Voorts zijn extra opvangplaatsen binnen het speciaal onderwijs gecreëerd voor kinderen met ernstige gedragsproblemen.
Vraag 2:
Is er sprake van wachtlijsten? Zo ja, hoe groot zijn die wachtlijsten per initiatief en zijn deze wachtlijsten toe- of afgenomen sinds de start?
Antwoord:
Op dit moment zijn er geen wachtlijsten. Wel kan er sprake zijn van piekbelasting, die kan leiden tot tijdelijke wachtlijsten. Deze piekbelasting doet zich meestal rond april/mei van het schooljaar voor. Vanaf het begin van het schooljaar proberen scholen eerst zelf de problemen met leerlingen op te lossen door middel van huiswerkregelingen en soms ook schorsingen. Als dan na verloop van tijd blijkt dat het echt niet meer gaat, komt de OOVR of een ander initiatief in beeld.
Voorts wordt gesteld:
“De intentie van de motie is wat Leefbaar Rotterdam betreft vooral de scholen te ontlasten van een kleine groep overlastgevende leerlingen die een onevenredig grote druk op de schoolorganisatie legt (en daarmee de werkdruk van docenten verminderen) en zorgen dat de welwillende leerlingen niet langer lijden onder de kleine groep kwaadwillenden. In de beantwoording wordt echter de indruk gewekt dat de focus van het college nog steeds ligt op de overlastgevende jongere. Onduidelijk is wat het rendement is voor de scholen die probleemjongeren verwijzen naar één van de initiatieven.”
Vraag 3:
Wat is het resultaat voor de desbetreffende scholen nadat de misdragende leerlingen geplaatst zijn op één van de initiatieven?
Antwoord:
Het rendement voor de scholen is dat het leidt tot meer rust in de klas en minder verstoring van het onderwijsleerklimaat in de klas. Hierdoor komen de andere leerlingen meer tot hun recht en hebben de docenten meer tijd voor de reguliere docenttaken.
Vraag 4:
Op welke wijze evalueert u deze resultaten?
Antwoord:
In de jaarverslagen van de OOVR wordt geëvalueerd wat er met de leerlingen gedaan wordt en waar zij na afloop van hun periode in de OOVR naar toe gaan.
Het Educatief Centrum en De Nieuwe kans rapporteren jaarlijks over de in- en uitstroomgegevens door middel van een evaluatieverslag aan de dienst JOS.
Leerlingen van het speciaal onderwijs blijven binnen het speciaal onderwijs.
Voorts wordt gesteld:
“Om te kunnen bepalen in welke mate elk van de vier initiatieven succesvol is geweest willen wij graag meer inzicht in de resultaten na het volgen van een traject.”
Vraag 5:
Kunt u aangeven wat er terecht is gekomen van de jongeren die gebruik hebben gemaakt van één van de vier initiatieven? Graag uitgesplitst naar initiatief.
Antwoord:
Voor de OOVR zijn gegevens beschikbaar van de uitstroom over 2009-2010:
- een gedeelte keert terug naar de school van herkomst (35%);
- een ander gedeelte vervolgt de opleiding op een andere school (35%);
- uitstroom naar een andere OOVR, het Educatief Centrum, een internaat of residentiële jeugdvoorziening komt ook voor (15%);
- uitstroom naar een ROC (15%).
Bureau Intraval heeft in 2010 een onderzoek gedaan naar de uitstroom van het Educatief centrum. Uit het onderzoek komt naar voren dat 89% van de leerlingen positief uitstroomt naar werk of scholing. Van de leerlingen rondt weliswaar maar 50% het traject helemaal af, maar ook leerlingen die eerder uitstromen doen het daarna goed.
Naar De Nieuwe Kans is ook een onderzoek gedaan door bureau Intraval. Daaruit is gebleken dat het project een meerwaarde heeft ten opzichte van bestaande jeugdzorgvoorzieningen. Van ongeveer 100 jongeren die zijn onderzocht is 87% in aanraking geweest met politie of justitie, heeft in een justitiële inrichting gezeten of heeft een vervangende straf gehad. Van deze jongeren ligt het recidive cijfer rond de 10%, hetgeen vergeleken met justitiële jeugdinrichtingen laag is.
Daarnaast stromen jongeren uit naar werk, reguliere scholing, leer-werktrajecten, gespecialiseerde zorg (Riagg, Bouwman, Lucertis of Pameijer) of de Reclassering.
Uitstroomgegevens van de extra opvangplaatsen binnen het Speciaal onderwijs zijn niet bekend.
Vraag 6:
In welke mate is sinds de oprichting van de tuchtschool sprake van een vermindering van de jeugdcriminaliteit, overlast door hangjongeren en van schooluitval?
Antwoord:
Dat is niet bekend. Er is geen onderzoek naar gedaan.
Voorts wordt gesteld:
“Time Out is een van de vijf onderwijsopvangvoorzieningen in Rotterdam. Ik heb daar echter in de stukken vanuit het college weinig over gelezen. Daarom heb ik nog de volgende vragen.”
Vraag 7:
Hoe wordt de time out school gepromoot onder de scholen?
Antwoord:
Time Out wordt net als de overige voorzieningen van de OOVR door het Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs (Koers VO) onder de aandacht gebracht van alle Voortgezet Onderwijs-scholen binnen het Samenwerkingsverband. Zij hebben daarvoor een Onderwijszorgloket opgericht en een brochure opgesteld. Koers VO beschikt verder over een website (http://www.koers-vo.nl) waarop alle scholen informatie kunnen vinden over de OOVR.
Vraag 8:
Welke scholen hebben leerlingen gemeld bij de time out school en wat was daarvan het resultaat?
Antwoord:
De toeleiding naar de OOVR is niet per voorziening uitgesplitst. In het algemeen zijn vooral VMBO scholen leveranciers van de OOVR. In de top 4 staan Het Noordrand College, OSG Nieuw Zuid Olympiaweg, Veenoord LMC en het Zuiderpark College.
Het resultaat is hetzelfde als bij vraag 3: meer rust op school en minder verstoring van het onderwijsleerklimaat.
Vraag 9:
Is er sprake van wachtlijsten? Zo ja, hoe groot zijn de wachtlijsten per school?
Antwoord:
Neen, zie ook het antwoord op vraag 2.
Vraag 10:
Wat zijn de overige vier voorzieningen die deel uitmaken van de onderwijsopvangvoorziening in Rotterdam?
Antwoord:
Naast de voorziening Time Out, kent de OOVR nog Accent (Praktijkonderwijs en Internaliserend), JMZ (Jonge Meiden Zelfstandig en Jonge Moeders Zelfstandig), Klik en
Schakel (Praktijkonderwijs en Internaliserend).
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De secretaris,
A.H.P. van Gils
De burgemeester,
A. Aboutaleb