Het laatste van
Schriftelijke Vragen
Transparantie van de politie in Rotterdam
Op 12 maart 2007 stelde het lid van uw raad, de heer drs. V.H. Reijkersz (Leefbaar Rotterdam), ons college schriftelijke vragen over de transparantie van de politie in Rotterdam.
Inleidend stelt de heer Reijkersz:
“De indruk die burgermeester Opstelten wil geven van het politiekorps Rijnmond is dat het korps zich transparant en afrekenbaar opstelt richting de burgers van Rotterdam en de gemeenteraad van onze stad. De indruk is ook dat de gemeenteraad van Rotterdam in beperkte mate prioriteiten mag aandragen. De korpschef van de politie, dhr. Meijboom, zit er daarom ook altijd bij in de commissie voor Veiligheid om vragen te beantwoorden en inzicht te verschaffen in het handelen van de politie.
In de praktijk is het echter veel te vaak een wassen neus.
Ik heb in het verleden (23 juni 2005) schriftelijke vragen gesteld over gemiddelde hoeveelheid agenten per wijk op patrouille (op verschillende tijdstippen), daarop kreeg ik toen het antwoord dat er 1200 wijkagenten zijn.
Ik heb al eerder in de achterkamer en de commissie vragen gesteld over de richtlijnen die patrouillerende agenten mee krijgen op straat. Ik heb toen gevraagd naar wat agenten moeten doen als ze bijvoorbeeld een bedelaar zien, een dealer zien, iemand ze uitscheldt, ze baldadigheid constateren, ze zich voor de supermarkt ophoudende alcoholisten zien of dat ze bijvoorbeeld een schreeuwende man voorbij zien komen. Ik heb daarbij gevraagd in welk geval ze een gesprek moeten aangaan en in welk geval ze direct tot aanhouding kunnen overgaan. Antwoorden zijn niet gegeven, omdat volgens het korps er of geen richtlijnen waren of dat dit enorme boekwerken waren. Antwoorden die overigens met elkaar in tegenspraak zijn. Het blijft in mijn opinie nog steeds ondenkbaar dat dit korps het toelaat agenten de straat op te sturen zonder gedragsinstructies, of vergelijkbaar protocol of richtlijn.
Ik heb recentelijk nog gevraagd naar informatie over in welke mate en op welke wijze agenten in burger worden ingezet. De burgermeester zegt dat het gebeurt en daar kan de gemeenteraad het mee doen.
Dit soort informatie wordt nooit spontaan geleverd. Op incident niveau komt de informatie vaak rap, maar op korpsniveau absoluut niet.
Recentelijk op commissiebezoek bij de meldkamer had ik verzocht om een lijst met meldingstypen en bijbehorende prioriteiten, ook hier kreeg ik nul op het rekest: “Heeft u echter gerichte vragen, b.v. welke prioriteit wij geven aan een bepaald incident, dan zal ik die gaarne beantwoorden.”
Ook mijn verzoeken, ook weer enige tijd terug, over inzicht in wat voor delicten waar worden gepleegd op postcode niveau, werden nooit serieus genomen. De informatie die de politie vrijgeeft is zeer geabstraheerd en absoluut niet gebiedsspecifiek. Vergeleken met het CLEAR informatiesysteem in Chicago: http://gis.chicagopolice.org/ en in mindere mate het COMPSTAT informatiesysteem in New York: http://www.nyc.gov/html/nypd/html/pct/cspdf.html , is de informatie die ons korps geeft over criminaliteit bijzonder karig.
Kortom, heel veel cruciale informatie wordt structureel niet gegeven.
Het is het soort informatie dat van belang is voor de gemeenteraad om een goed oordeel te kunnen geven over de criminaliteitssituatie in de stad en de wijken, de aanpak van die criminaliteit en het beoordelen van het succes of falen van de aanpak. Daarnaast is het uiteraard de informatie waarop de burger recht heeft en informatie die er ook is.
Niettemin kan mijn jarenlange ervaring met het niet krijgen van informatie berusten op een misverstand.”
Gelet op het onderwerp worden de vragen geacht gesteld te zijn aan de burgemeester.
Hieronder volgen de vragen van de heer Reijkersz, voorzien van mijn antwoorden.
Vraag 1:
Welke specifieke delicten worden waar en wanneer gepleegd? (zoals in Chicago op straatniveau rapporteren)
Antwoord:
Buiten de politie is deze informatie op dit moment alleen in geaggregeerde vorm beschikbaar. Gegevens over de veiligheid in Rotterdam kunnen nu bijvoorbeeld worden afgeleid uit de resultaten van de jaarlijkse veiligheidsindex van de gemeente Rotterdam en de resultaten van de politie Rotterdam – Rijnmond die maandelijks op internet worden gepubliceerd.
Het korps streeft er echter wel naar om criminaliteitsinformatie voor de burgers op wijk- en buurtniveau inzichtelijk te maken. Het korps onderzoekt op dit moment welke mogelijkheden er zijn om dit te (laten) realiseren.
Vraag 2:
Hoeveel agenten patrouilleren/werken gemiddeld op straat, per wijk, uitgesplitst op dagdelen? (dag/avond/nacht)
Antwoord:
Op dit moment kan worden aangegeven welke criteria gehanteerd worden om tot inzet van voldoende personeel te komen. Voor het proces directe Hulpverlening (DHV) gelden prestatieafspraken op het gebied van reactiesnelheid. Deze afspraken zijn gemaakt met het regionaal college. De dagelijkse bezetting van het proces DHV is dan ook afgestemd op het aantal meldingen dat redelijkerwijs verwacht mag worden op basis van ervaringen. Het hanteren van dit model heeft tot gevolg dat op drukke tijdstippen zoals vrijdagavond, meer DHV personeel in dienst is dan op een zondagochtend.
Het proces wijkpolitie kent een sterkte van in totaal ongeveer 1130 medewerkers. Deze sterkte is regionaal verdeeld op basis van werkdruk en omgevingsfactoren. Deze regionale verdeling heeft voor het laatst in 2006 plaatsgevonden. Voor wat betreft de werkzaamheden die binnen dit proces worden uitgevoerd, wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 3.
Wanneer bepaalde openbare orde problematiek (tijdelijk) de draagkracht van een district te boven gaat, kan personele ondersteuning aan andere districten gevraagd worden.
Vraag 3:
Wat zijn de prioriteiten, van hoog tot laag, van deze agenten?
Vraag 4:
Hoe moeten de agenten deze prioriteiten aanpakken? (gedragsinstructies)
Antwoord op de vragen 3 en 4:
In 2005 zijn door de politie, in het kader van het tweede vijfjarenactie-programma 2006-2010, heldere meerjarenafspraken gemaakt omtrent te behalen doelen in deze periode. Deze meerjarige afspraken en de resultaten die in het kader daarvan zijn bereikt, zijn en worden jaarlijks uitgebreid besproken in de raadscommissie Bestuur, Veiligheid en Middelen en de gemeenteraad. Naar aanleiding van die besprekingen zijn nog aanpassingen gedaan, bijvoorbeeld in de targets voor straatroof. Op basis van deze plannen vindt op de diverse districten sturing plaats. Korpsbreed zijn de prioriteiten voor de periode 2006-2010:
- Jeugd
- Geweld
- Veelplegers
- Drugs- en overlast
- Handhaving openbare orde
- Midden- en zware criminaliteit
- Radicalisering
Maandelijks presenteert het korps de behaalde resultaten in de beheersdriehoek. Daarna worden deze cijfers op internet gepubliceerd.
Operationele prioriteiten worden daarnaast sterk beďnvloedt door de actualiteit in een bepaald gebied. Wanneer in een gebied plotseling sprake is van forse (jeugd)overlastproblematiek, zal de aanpak daarvan binnen dat district meer prioriteit krijgen. In datzelfde kader wordt afgesproken op welke wijze op straat dient te worden opgetreden. Deze instructie wordt dan onder meer door middel van briefings aan de collega’s van de diverse betrokken processen meegegeven. Het is echter niet zo dat voor elk type (geprioriteerd) incident een gedragsinstructie wordt opgesteld omdat die van geval tot geval verschillen. Wanneer geen sprake is van een specifieke gedragsinstructie kan de politiemedewerker – binnen de grenzen van strafvordering en (persoonlijke) prestatieafspraken - zelf bepalen langs welke weg hij bij een concreet incident wil optreden (verbaliseren of waarschuwen).
Het mag duidelijk zijn dat naast de genoemde prioriteiten ook aandacht wordt besteed aan de handhaving van strafbare feiten op andere gebieden (b.v. verkeer of milieu).
Vraag 5:
In hoeverre worden er personele consequenties aan succes (dalende criminaliteit) en falen (stijgende criminaliteit) verbonden op wijk niveau en districtsniveau?
Antwoord:
De resultaten van de districten worden maandelijks door de Korpsleiding gemonitord en wanneer deze achterblijven bij de gestelde targets, stuurt de Korpsleiding op verbetering van de resultaten. Hierbij kan ook van personeelsinstrumenten gebruik worden gemaakt.
Vraag 6:
Hoe worden meldingen van de burger in de meldkamer geprioriteerd (welk soort meldingen aan de DHV wagens worden doorgegeven, met welke prioriteit, en welk soort meldingen worden aan de wijkpolitie worden doorgegeven)?
Antwoord:
112 meldingen die een snelle reactie van de politie vragen krijgen prioriteit 1 of 2; hierbij moet worden gedacht aan inbraak-heterdaad, vechtpartijen en ernstige aanrijdingen. Met het regionaal college is hiervoor afgesproken dat binnen maximaal 15 minuten kan worden gereageerd. Minder spoedeisende 112-meldingen krijgen prioriteit 3 of 4. Hierbij moet worden gedacht aan baldadigheid door jeugd, normale aanrijdingen, drankgebruik in het openbaar, vernieling en inbraak niet-heterdaad. De met het regionaal college hiervoor afgesproken maximale reactiesnelheid bedraagt 30 minuten.
De meldkamer maakt voor de afhandeling van 112-meldingen gebruik van voertuigen / personeel van het proces Directe Hulpverlening (DHV). De capaciteit van dit proces is afgestemd op het (te verwachten) aantal meldingen. Dit betreft zowel meldingen overdag als ’s nachts. Het gemiddelde aantal in de regio aanwezige DHV-voertuigen tijdens de avonduren bedraagt 28.
Meldingen die binnenkomen via 0900-8844 worden verwerkt en voor verdere afhandeling doorgezet naar het betreffende district. Afhandeling daarvan vindt afhankelijk van de aard vervolgens op een later tijdstip plaats.
Vraag 7:
In welke hoeveelheden en op welke verschillende manieren worden agenten in burger ingezet?
Antwoord:
Inzet van agenten in burger vindt incidentgericht plaats. De aantallen in burger ingezette agenten en de wijze waarop de actie wordt uitgevoerd kunnen per actie variëren; daar valt dan ook geen specifieke informatie over te leveren.
De burgemeester,
I.W. Opstelten
Behandelend ambtenaar: D. Berg