Rotterdam, 8 december 2009.
Onderwerp:
Beantwoording van de schriftelijke vragen van het raadslid R. Sörensen (Leefbaar Rotterdam) over ‘Steekpartij met twee doden in de Oldegaarde’.
Aan de Gemeenteraad.
Op 6 november 2009 stelde het raadslid R. Sörensen (Leefbaar Rotterdam) ons schriftelijke vragen over ‘Steekpartij met twee doden in de Oldegaarde’.
Inleidend wordt gesteld:
“Maandagavond vond er aan de Oldegaarde een steekpartij plaats waarbij twee mensen de dood vonden. Aanvankelijk werd dit afgedaan als een uit de hand gelopen burenruzie, maar hier lijkt toch meer aan de hand. In een interview geeft de vriendin van het slachtoffer aan dat er al veel langer problemen waren met de dader. De dader stond bekend als een overlastgevende drugsgebruiker met een crimineel verleden en psychische problemen.
Zowel de aanloop als de afwikkeling van deze tragische zaak heeft bij mij grote vragen doen rijzen. De politie was al vaker geïnformeerd over het afwijkende gedrag van de dader. Op maandag is de politie al gebeld over het bedreigende gedrag van de dader en hierop is de politie langs gekomen, maar heeft geen verdere actie ondernomen. Toen de steekpartij gaande was heeft de vriendin van het slachtoffer de politie gebeld, hierop werd zij doorverbonden met de ambulancedienst en heeft het gesprek nog vijf minuten geduurd. Het lijkt erop dat hierbij essentiële tijd verloren is gegaan. Over de gang van zaken na het incident is de vriendin helemaal niet te spreken. Zij werd in een busje gezet, naar de kinderen van het slachtoffer gebracht en vervolgens bij familie afgezet. Over de verdere afhandeling werd zij niet geïnformeerd.
Een politiewoordvoerder laat in het AD van donderdag 5 november stellig weten dat de politie goed heeft gehandeld en er in een eerder stadium geen aanleiding was de dader mee te nemen. Gezien de tragische afloop vindt ik dit niet getuigen van veel inlevingsvermogen voor de gevoelens van de vriendin en andere nabestaanden.”
Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:
Vraag 1:
Wat was bij politie en hulpverleners bekend over het criminele verleden, de psychische gesteldheid en het eventuele drugsgebruik van deze man?
Vraag 2:
Is ooit een afweging gemaakt van omgevingsrisico dat deze man vormde? Zo ja waarom is toch besloten hem ongecontroleerd in een woonwijk te huisvesten?
Vraag 4:
Op welke wijze werd de dader door hulpverlening en justitie in de gaten gehouden?
Antwoord op de vragen 1, 2, en 4:
Beide slachtoffers waren in meer of mindere mate bekend bij de hulpverlening. Meneer 1 stond algemeen bekend als voormalig dakloze, chronisch harddrugsverslaafde man. Hij had een lang strafblad voor vermogensdelicten en overtreding van de Opiumwet. Hij was echter relatief rustig in 2009, en stond niet bekend als gewelddadig. Meneer 2 stond in de flat bekend als een doorsnee buurman, die wel veel geluidsoverlast kon veroorzaken.
Daar meneer 1 niet bekend stond als gewelddadig, is er door de hulpverlening en de politie geen sprake geweest van afweging van de mate waarin hij een omgevingsrisico vormde. Hij huurde zelfstandig een woning van een corporatie.
Na ontslag uit detentie in februari 2009, heeft de hulpverlening in de wijk meneer 1
aangemeld bij het Veiligheidshuis voor een persoonsgerichte aanpak. Deze aanpak werd onderbroken door een nieuwe detentie van mei – augustus 2009.
Meneer 1 kreeg hulp bij het oplossen van gezondheidsproblemen en bij het op orde krijgen van zijn financiën. Vanaf augustus werd hem woonbegeleiding aangeboden, maar daarvan maakte hij geen gebruik. Wel ging hij overdag naar een werkproject en had hij verslavingsbegeleiding, om de overlast die hij veroorzaakte zoveel mogelijk te beperken.
T.a.v. meneer 1 liep een door de rechter opgelegd reclasseringstoezicht tot juni 2010. Hij had een aandachtsfunctionaris bij de politie (de buurtagent).
Vraag 3:
Waarom is, vooral gelet op eerdere bedreigingen en het verleden van de dader, deze niet meteen meegenomen voor verhoor nadat de bedreiging was gemeld?
Antwoord:
Op de bewuste 2 november 2009 ontving de politiemeldkamer in de middag een melding over een burenruzie die gaande zou zijn aan de Oldegaarde. Daarop is de politie naar het adres aan de Oldegaarde gegaan. Ter plaatse was alleen meneer 1 aanwezig. Meneer 2 was niet meer thuis; met hem is toen telefonisch gesproken waarbij hij verklaarde overlast te ervaren van zijn buurman. Meneer 1 verklaarde juist van meneer 2 overlast te ervaren. Er is geen melding gemaakt van bedreiging.
Ter plaatse was op dat moment ook geen sprake van overlast. Op grond van deze feiten en omstandigheden bestond er geen aanleiding om meneer 1 aan te houden.
Vraag 5:
Hoe beoordeelt u achteraf de handelwijze van politie en hulpverleninginstanties?
Vraag 6:
Geeft deze zaak aanleiding om deze handelwijze kritisch tegen het licht te houden?
Antwoord op de vragen 5 en 6:
Voor zover wij kunnen beoordelen is de inzet van politie en hulpverlening adequaat en
passend geweest.
Hoewel meneer 1 een lange historie van overlast had was er geen reden om aan te nemen dat hij ook gewelddadig zou worden. De politie had geen enkele grond om hem eerder die dag in hechtenis te nemen.
Direct na het incident waren de ambulancediensten inclusief traumateam ruim binnen de norm ter plaatse, maar de slachtoffers waren toen al overleden.
Vraag 7:
Is de handelwijze van de instanties richting de vriendin correct geweest en wat is de rol van slachtofferhulp in deze? Op welke wijze kan dit in het vervolg zorgvuldiger geregeld worden?
Antwoord:
De handelswijze van de instanties is correct geweest en er is geen reden om de zorgvuldigheid hiervan in twijfel te trekken.
De desbetreffende vriendin is na het incident gehoord als getuige. Na het getuigenverhoor heeft de politie de vriendin naar een kennis in Capelle aan den IJssel gebracht. Zij is hier ongeveer een uur gebleven. Onderwijl hebben de politieambtenaren op haar gewacht om haar vervolgens naar haar woonplaats te brengen.
De politie heeft op 3 november Slachtofferhulp ingeschakeld, volgens de reguliere procedure. Slachtofferhulp heeft op 4 november contact gezocht met de nabestaanden van meneer 2 en een afspraak gemaakt voor 5 november. Die afspraak is door de nabestaanden afgezegd i.v.m. identificatie. Op initiatief van Slachtofferhulp heeft op 9 november alsnog een gesprek plaatsgevonden.
Vanuit het Lokale Zorgnetwerk van de GGD Rotterdam/Rijnmond is een dag na de begrafenis op 11 november 2009 een hulpverleningstraject opgestart, met aparte hulpverleners voor vriendin, moeder en broer van meneer 2.
De vriendin van meneer 2 woont tijdelijk in een hulpverleningsinstelling in afwachting van nieuwe huisvesting (de betrokken woningcorporatie is bereid een woning aan te bieden) en ter regeling van de problemen op materieel en psychisch gebied.
Vervolgens stelt de heer Sörensen:
“Als er twee doden zijn te betreuren bij een incident, in verband waarmee diezelfde dag de politie nog op bezoek is geweest, is enige terughoudendheid gepast. In het verleden zijn wij meermaals, bijvoorbeeld kort na het treinincident op station Alexander, geconfronteerd met politiewoordvoerders die vlak na een incident uitspraken doen die achteraf niet waar blijken of weinig blijk geven van inlevingsvermogen in de gevoelens van nabestaanden. Ook kan hierdoor de indruk ontstaan, terecht of niet, dat men druk doende is het eigen straatje schoon te vegen.”
Vraag 8:
Kunt u ervoor zorgen dat in het vervolg politiewoordvoerders zich beperken tot feitelijkheden na een dergelijk drama, vooral als er ook vragen zijn omtrent het politieoptreden?
Antwoord:
Het hier geschetste beeld wordt beide keren niet herkend door de politie Rotterdam-Rijnmond. Persvoorlichting beperkt zich altijd tot de dan bekende feiten, en heeft het beleid om zaken met de grootste zorgvuldigheid te behandelen. Zo heeft de afdeling persvoorlichting in het onderhavige geval niet zelf het contact met de pers gezocht, maar louter gereageerd op vragen van de pers, naar aanleiding van opmerkingen van betrokkenen. Zoals uit de hiervoor beschreven antwoorden blijkt heeft persvoorlichting zich ook aan de feiten gehouden.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De secretaris,
A.H.P. van Gils
De burgemeester,
A. Aboutaleb