Het laatste van Schriftelijke Vragen

februari 08, 2012
Werkgevers en inburgering (n.n.b)

februari 01, 2012
Subsidie Rotterdam Media Fonds (n.n.b)

februari 01, 2012
Effect campagne om wapens in te leveren (n.n.b)

januari 31, 2012
Knipperzebra (n.n.b)

januari 30, 2012
Zwakke en zeer zwakke scholen (n.n.b)

januari 25, 2012
Vervolgvragen BOOR (n.n.b)

januari 24, 2012
Stroomstoringen in Noord (n.n.b)

december 30, 2011
Problematiek skimmen bankpassen (n.n.b)

december 22, 2011
Terugbetalen onterecht betaalde ID-kaarten (n.n.b)

december 14, 2011
Bedrijfsreinigingsrecht bedrijven aan huis (n.n.b)

december 08, 2011
Bezuinigingen passend onderwijs (n.n.b)

november 28, 2011
Geld voor afval


Scholten en Van den Nieuwenhuijzen

Rotterdam, 29 september 2009.



Onderwerp:

Beantwoording van de schriftelijke vragen van het raadslid R. Schuurman (Leefbaar Rotterdam) over de stand van zaken W.K. Scholten en J.A.J. van den Nieuwenhuijzen.


Aan de Gemeenteraad.

Op 15 september 2009 stelde het raadslid R. Schuurman (Leefbaar Rotterdam) ons schriftelijke vragen over de stand van zaken W.K. Scholten en J.A.J. van den Nieuwenhuijzen.

Inleidend wordt gesteld:

“Tijdens deze raadsperiode heeft Leefbaar Rotterdam reeds vier maal schriftelijke vragen gesteld over de vervolging van Willem Scholten.

Alweer 4,5 jaar geleden deden gemeente en Havenbedrijf (HbR) aangifte van mogelijk strafbare feiten. Onlangs hebben gemeente en HbR besloten om ook aangifte te doen van omkoping. Deze aangifte is gericht tegen zowel dhr. Scholten als dhr. Van den Nieuwenhuijzen. Het Openbaar Ministerie heeft onlangs besloten een advocaat te vervolgen in verband met valse verklaringen.

Zoals u weet, vind ik dat er goede reden is om als gemeente en/of HbR niet alleen aangifte te doen van mogelijk strafbare feiten, maar om tevens een civielrechtelijke procedure te starten. De gemeente heeft immers schade geleden. In uw beantwoording d.d. 18 september 2007 van mijn schriftelijke vragen geeft u aan dat er nog een wettelijke termijn van twee jaar resteert om tot aansprakelijkheidsstelling over te gaan. In uw beantwoording d.d. 23 september 2008 van mijn schriftelijke vragen geeft u aan dat de beslissing om een civielrechtelijke procedure te beginnen afhankelijk is van het verdere verloop van de rechtszaken met de banken.”

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:


Vraag 1: Wanneer verwacht u thans dat de rechtszaak tegen dhr. Scholten zal starten?

Antwoord:
De strafzaak tegen de heer Scholten zal naar verwachting begin 2010 door de Rechtbank te Rotterdam worden behandeld. Of en wanneer er een civielrechtelijke zaak komt tegen de heer Scholten is onzeker. Wij verwijzen u naar onze antwoorden d.d. 23 september 2008 (ons kenmerk 188573).

De vraagsteller stelt in vervolg hierop het volgende:
“In de cie. ESMV van 3 september jl. heeft het bestuur geen antwoord willen geven op de vraag waarom de gemeente aanvullende aangifte heeft gedaan tegen dhr. Scholten. De FIOD heeft volgens het bestuur bij zowel dhr. Scholten als dhr. Van den Nieuwenhuijzen strafbare feiten ontdekt en dat gaf aanleiding tot deze aangifte. Zoals bekend mag worden verondersteld, heeft het OM of FIOD zelfstandige bevoegdheden om personen te vervolgen van strafbare feiten, hier is echt niet de gemeente voor nodig.”

Naar aanleiding hiervan stelt hij de volgende vraag:


Vraag 2: Waarom heeft de gemeente na overleg met de FIOD alsnog aanvullende aangifte gedaan? Wat is de meerwaarde van deze aangifte?

Antwoord:
Er is een aanvullende aangifte gedaan omdat de eerdere aangifte geen betrekking had op het feitencomplex dat recent uit het onderzoek van de FIOD-ECD naar boven is gekomen. Ons College vindt het van belang dat ook dit nieuwe feitencomplex in de strafzaak wordt beoordeeld.

De vraagsteller stelt vervolgens:
“De wettelijke termijn om een civielrechtelijke procedure te starten zal binnenkort eindigen. Helaas heb ik nog niets gehoord van het College over de beslissing om zo’n procedure te starten. Het College is van mening dat het verloop van de rechtszaken met de banken bepalend is voor de beslissing om al of niet een civielrechtelijke procedure te starten.”

Naar aanleiding hiervan stelt hij de volgende vragen:


Vraag 3: Precies wanneer eindigt de wettelijke termijn om tot aansprakelijkheidsstelling over te gaan?

Antwoord:
De verjaringstermijn eindigt in het algemeen vijf jaar nadat de partij die de schade heeft geleden bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon. De gemeente heeft deze verjaring gestuit met betrekking tot de heren Scholten en Van den Nieuwenhuijzen. De nieuwe termijn eindigt in 2014.


Vraag 4: Onder welke omstandigheden zult u een civielrechtelijke procedure starten richting dhr. Scholten? En wanneer doet u dit eventueel in de richting van dhr. Van den Nieuwenhuijzen?

Antwoord:
Wij verwijzen u naar onze antwoorden d.d. 23 september 2008 op uw eerdere vragen over hetzelfde onderwerp. De rechtszaken tussen de gemeente en de banken lopen nog. Wij zien geen aanleiding om thans een civielrechtelijke procedure te beginnen tegen de heer Scholten of de heer van den Nieuwenhuijzen. Als de gemeente alsnog zou worden veroordeeld tot betaling aan de banken onder de garanties, dan is dat aanleiding om een civiele procedure tegen de heren Scholten en Van den Nieuwenhuijzen serieus te overwegen.


Vraag 5: Wanneer neemt u de beslissing om al of niet een civielrechtelijke procedure te starten?

Antwoord:
Op dit moment verwachten wij die beslissing te nemen zodra de civielrechtelijke procedures tegen de banken zijn geëindigd.

De vraagsteller constateert tenslotte:
“De gemeente is inmiddels van mening dat er sprake is van omkoping.”

Naar aanleiding hiervan stelt hij de volgende vraag:


Vraag 6: Welke invloed heeft dit op uw beslissing om een civielrechtelijke procedure tegen dhr. Scholten en eventueel tegen dhr. Van den Nieuwenhuijzen te starten?

Antwoord:
In onze brief aan uw raad van 26 augustus 2009 (nummer 09gr2474) hebben wij benadrukt dat op dit moment uitsluitend sprake is van een vermoeden van omkoping. Of sprake is van omkoping moet worden beoordeeld door de strafrechter. Wij wachten het oordeel van de strafrechter af, voordat wij daar consequenties aan kunnen verbinden.

Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,

De secretaris,
A.H.P. van Gils

De burgemeester,
A. Aboutaleb