over het onderzoek van Trouw inzake de kwaliteit van het onderwijs
De heer Sörensen stelt inleidend het volgende:
“Leefbaar Rotterdam betreurt de uitslag van het onlangs gepubliceerde rapport van Trouw over de kwaliteit van het onderwijs. Wij hebben kwaliteit van het onderwijs hoog in het vaandel staan. Wij zijn van mening dat de kwaliteit van opleidingen moet worden verbeterd en gemonitord. Slecht presterende scholen moeten onder toezicht gesteld en desnoods gesloten worden.
Het stelt ons wel tevreden dat de uitslag openbaar is, zodat maatregelen genomen kunnen worden. Tijdens de begrotingsbehandeling op 9 november hebben we al geconstateerd dat het college investeert in scholen om de kwaliteit van de scholen in Rotterdam te verbeteren en dat zij voorwaarden stelt aan prestaties en inzet van de scholen. Wij hebben daarbij gepleit voor openbaarheid / publicatie van de prestaties van verschillende scholen.
Uit het onderzoek van Trouw blijkt dat de islamitische school in Rotterdam Ibn Ghaldoun slecht presteert: leerlingen doubleren vaak en halen gemiddeld lage cijfers. Wat nog veel meer verbazing oproept, is dat uit het rapport blijkt dat vooral het lerarenkorps tekort schiet. Op het Ibn Ghaldoun beschikte vorig jaar nog een kwart van de leraren niet over de juiste bevoegdheid.
Voor veel ouders is de kwaliteit van de scholen een reden voor keuze van woonplaats, met name ouders die wat te kiezen hebben. Het heeft geen zin betere woningen en nadere leuke dingen in Rotterdam te realiseren als de scholen achterblijven.
Het lijkt ons zaak dat u als college het gemeentelijk onderwijsbeleid erop richt teneinde de slechte scholen te sluiten, en de goede te stimuleren.
In 2000 heeft de onderwijsinspectie reeds geconstateerd dat het onderwijs op de Ibn Ghaldoun zorgwekkend was.“
Hieronder volgen zijn vragen en onze beantwoording.
Vraag 1:
Zijn er destijds en in de jaren erna maatregelen genomen en zo ja, welke?
Antwoord:
De Inspectie rapporteert in 2002 het volgende:
“Veel gesprekken op allerlei niveaus binnen het onderwijs hebben er tenslotte toe
geleid dat de school inzag niet op eigen kracht uit deze problematiek te kunnen komen. Vervolgens heeft men de hulp ingeroepen van het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum (CPS). Het CPS begeleidt de school tot op heden zeer intensief volgens de lijn dat de school begeleiding en scholing krijgt bij het werken aan producten en processen, maar het werk zelf zal moeten doen. Dit heeft er toe geleid dat er op veel gebieden allereerst structuur werd aangebracht. Op het gebied van management, personeel, onderwijs, leerlingbegeleiding, organisatie en beheer zijn de zaken inmiddels geregeld. Dit geldt ook voor de verhouding van de schoolleiding ten opzichte van het bevoegd gezag. Echter, het regelen van deze zaken wil nog niet zeggen dat de praktijk ook altijd al goed werkt, maar de school is zonder meer op de goede weg.” Bij het laatste inspectiebezoek beoordeelde de inspectie het merendeel van de kwaliteitsaspecten als voldoende. De kwaliteitszorg was naar het oordeel van de inspectie nog onvoldoende. Over de opbrengsten van de school kon de inspectie geen eindoordeel geven. (3 oktober 2005 , Jaarlijks onderzoek Inspectie).
Vraag 2:
Wat zijn de achterliggende redenen van de slechte prestaties van de andere zeer slecht presterende scholen?
Antwoord:
De redenen voor slecht presterende scholen zijn divers. Belangrijke factoren zijn o.a. de competenties van leerkrachten, de onderwijsorganisatie, leerproblemen van leerlingen en het management van de school.
De heer Sörensen stelt het volgende:
“Dit college geeft aan voorwaarden te stellen aan prestaties en inzet van scholen.”
Vraag 3:
Welke voorwaarden zijn dit en wat zijn de sancties? In hoeveel gevallen zijn de sancties toegepast?
Antwoord:
De gemeente heeft met de Rotterdamse schoolbesturen in het kader van het Rotterdams Onderwijs Beleid 10 actiepunten vastgesteld.
“Rotterdamse scholen zijn kwaliteitscholen” is een van deze actiepunten. Uitwerking van dit actiepunt ligt in handen van een programmacommissie van het ROB. Deze commissie bestaat zowel uit deskundigen uit de Rotterdamse schoolbesturen als de gemeente. Naar aanleiding van het Trouw onderzoek heeft deze programmacommissie contact gezocht met de Inspectie en met het schoolbestuur van Ibn Ghaldoun om na te gaan hoe de problemen van Ibn Ghaldoun op korte termijn opgelost kunnen worden. Hierover zal de programmacommissie een advies aan het schoolbestuur formuleren.
De gemeente heeft in het kader van het Rotterdamse Onderwijs Beleid afspraken gemaakt met alle Rotterdamse schoolbesturen. Aan alle gemeentelijke subsidies van de gemeente Rotterdam worden voorwaarden gesteld. Zowel inhoudelijk als financieel wordt getoetst of er aan de voorwaarden voldaan is.
Vraag 4:
Is het college bereid de kwaliteitscriteria van Trouw te hanteren in het beoordelen van de kwaliteit van scholen?
Antwoord:
Wij zijn voornemens om een onderzoek te doen naar de kwaliteit van het Rotterdams onderwijs. Hierin zullen de Inspectiegegevens waarop Trouw zich ook baseert, meegenomen worden.
Vraag 5:
Hoe ver moet het komen voordat wordt besloten een school te sluiten?
Antwoord:
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit. De Inspectie kan verschillende maatregelen nemen zoals het verscherpen van het toezicht. De Minister van Onderwijs kan besluiten tot het sluiten van de school als andere niet leiden tot herstel van de kwaliteit van het onderwijs.
De heer Sörensen stelt het volgende:
“Als een school naar aanleiding van slecht presteren gesloten wordt, komen leerlingen op straat te staan.“
Vraag 6:
Is er een noodplan voor deze leerlingen?
Antwoord:
Nee. Sluiting van een school gebeurt nooit plotseling. Wij zullen samen met de Rotterdamse schoolbesturen de leerlingen onderbrengen als een van de Rotterdamse scholen wordt gesloten.
Vraag 7:
Hoe kan het mogelijk zijn dat zo’n groot aantal leraren zonder bevoegdheid aan het werk is op een school. Wie wordt daar verantwoordelijk voor gesteld en wat zijn de consequenties?
Antwoord:
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de leraren ligt bij het schoolbestuur. Uit recent onderzoek blijkt dat 25% van alle Rotterdamse leraren in het voortgezet onderwijs onbevoegd of onderbevoegd is. De situatie bij Ibn Ghaldoun wijkt niet af van de gehele Rotterdamse situatie.
De heer Sörensen stelt het volgende:
“Uit het onderzoek blijkt verder dat er scholen zijn die slechter presteren dan de Ibn Ghaldoun. Uit het artikel van Trouw blijkt dat in Rotterdam in ieder geval de Ibn Ghaldoun onder geïntensiveerd toezicht staat van de onderwijsinspectie”.
Vraag 8:
Hoe zit het met de overige Rotterdamse scholen? Staan alle slecht presterende scholen in Rotterdam onder geïntensiveerd toezicht?
Antwoord:
In Rotterdam staan twee scholen onder intensief toezicht. De Ibn Ghaldoun is niet onder intensief toezicht gesteld.
Vraag 9:
Welke maatregelen gaat u nemen tegen de slecht presterende scholen?
Antwoord:
In het kader van het Rotterdams Onderwijs Beleid spreekt de eerder genoemde programmacommissie die handelt over de kwaliteit van het Rotterdams onderwijs, betreffende schoolbesturen actief aan over de slecht presterende scholen. De commissie overlegt hoe de schoolvraagstukken op kort termijn aangepakt kunnen worden. De gemeente investeert actief in deze aanpak.
Vraag 10:
Wilt u specifieke doelstellingen afspreken met de slecht presterende scholen om ze zo te dwingen om hun prestaties te verbeteren. Zo nee: hoe gaat u er dan voor zorgen dat de kwaliteit van het Rotterdams voortgezet onderwijs verbetert?
Antwoord:
De gesprekken tussen de programmacommissie van het Rotterdamse Onderwijs Beleid en de betreffende schoolbesturen moeten leiden tot heldere afspraken over de inzet en uitvoering van de kwaliteitsverbetering. Deze afspraken maken onderdeel uit van het totale onderwijsbeleid.
De heer Sörensen stelt het volgende:
“Op de Islamitische school in Amsterdam laat men de leerlingen niet met de Nederlandse democratie en andere culturen in aanraking komen; zijn er lesboeken aangetroffen die aanzetten tot haat tegen de democratie en andere geloven, specifiek tegen de Joden; is er geconstateerd dat er 60.000,- euro zoek is, waarvan het verhaal gaat dat dit doorgesluisd is naar extremistische groeperingen”.
Vraag 11:
Zijn bovenstaande Amsterdamse feiten ook in Rotterdam aan het licht gekomen.
Antwoord:
Nee. I n 2002 is door de Inspectie een onderzoek naar de sociale cohesie op de Ibn Ghaldoun ingesteld. In de rapportage is het volgende te lezen:
“De school bevordert door elementen van het onderwijs de overdracht van basiswaarden van de democratische rechtsstaat aan de leerlingen.
In de lessen komen de leerlingen in aanraking met de verschillende opvattingen, gewoonten en gebruiken in de Nederlandse samenleving en wordt benadrukt dat begrip voor de ander en verdraagzaamheid noodzakelijk zijn om op een goede wijze te kunnen samenleven.
De school draagt in het onderwijs in voldoende mate bij aan bevordering van condities die integratie van de leerlingen in de Nederlandse samenleving kunnen versterken. Deze conclusie is gebaseerd op de volgende overwegingen. Op uw school wordt duidelijk gemaakt dat leraren en leerlingen deel uitmaken van de Nederlandse samenleving en aan die samenleving een bijdrage dienen te leveren.
De centrale vraag uit het onderzoek (Wat is de rol die de school vervult bij het bevorderen van de condities voor integratie van de leerlingen in de Nederlandse samenleving?) wordt positief beantwoord.”
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De Secretaris, De Burgemeester,
A.H.P. van Gils I.W. Opstelten
Behandelend ambtenaar: N. Kuiper