Kwaliteit vrouwenopvang
Op 18 januari 2007 stelde het lid van uw raad, mevrouw drs. M.J.J. van den Anker (Leefbaar Rotterdam), ons college schriftelijke vragen over vrouwenopvang Rotterdam. In overleg met mevrouw v.d. Anker hebben wij enkele weken uitstel gevraagd in verband met de bestudering van het rapport Maat en Baat van de Vrouwenopvang, voor overleg met de drie andere grote steden en de stichting Arosa in Rotterdam.
Inleidend stelt mevrouw Van den Anker:
“Tot nu toe was er nog geen betrouwbaar beeld van de bereikte groep mishandelde vrouwen en van de geboden hulp. Ook was onduidelijk hoe het ze daarna verging. Daar is net door Trimbos en Radboud universiteit onderzoek naar gedaan. De aanpak moet worden bijgesteld, is de conclusie. De gemeente, opvang, gezondheidszorg en maatschappelijke en migrantenorganisaties moeten aan de slag.
De doelgroep is door de jaren heen flink verkleurd. Jaarlijks worden zo’n 4000 tot 4500 mishandelde vrouwen opgevangen. Tweederde is van allochtone afkomst. Opvallend is ook de forse vertegenwoordiging van de eerste generatie allochtone mannen onder de daders (48%). De maatschappelijke positie van de vrouwen is uiterst zwak (laag opgeleid, weinig zelfredzaam, weinig of geen inkomen).
Wij krijgen op vreselijke wijze de rekening gepresenteerd van het jarenlang gevoerde integratie, gezinsvormings- en inburgeringsbeleid. Veel van deze vrouwen zijn naar Nederland gekomen via uithuwelijking zonder kennis van de taal, cultuur en leefwijze in ons land en zij leven in ons land geďsoleerd, niet geëmancipeerd, niet geďntegreerd met weinig ruimte voor het maken van eigen keuzes onder het juk van hun mannen en familie.
En wat we zien is nog maar het topje van de ijsberg.
Zowel de opvang van de vrouwen als de aanpak van de daders is te ‘wit’, terwijl de feiten vragen om een gekleurde aanpak. Dit is geen stigmatisering van ons, maar een constatering van de onderzoekers.
Staatssecretaris Ross wees de gemeenten op hun verantwoordelijkheid voor de vrouwenopvang en stelde dat het geld dat ze zelf jaarlijks voor de opvang uittrekt, afdoende is.
Dat dit college deze verantwoordelijkheid zal oppakken, staat buiten kijf. Wij hebben dit vertrouwen omdat de aanpak van huiselijk en eergerelateerd geweld van het vorige college onverminderd is voortgezet, maar willen natuurlijk wel resultaten zien en afspraken met u maken, voor een deel vandaag, voor een deel in de commissie.”
Hieronder volgen de vragen van mevrouw Van den Anker, ingeleid door haar opmerkingen en voorzien van onze beantwoording.
Vraag 1:
Welke doelen gaat het college stellen en welke afspraken gaat u maken met migranten en maatschappelijke organisaties om het huiselijk en eergerelateerd geweld onder allochtonen terug te dringen? En welke aanpak gaat u ontwikkelen voor de allochtone daders? Durft u het aan om zich te binden aan een reductie onder allochtonen met de helft, waarmee de spreiding van de vrouwen in de opvang tussen allochtoon en autochtoon gelijk is, net als de opbouw van onze stad?
Antwoord:
Het is onze ambitie om huiselijk geweld onder alle Rotterdammers (we maken hierin geen onderscheid tussen allochtoon en autochtoon) te verminderen. Ons eerste doel is het onderwerp uit de privé- en taboesfeer te halen, zodat hulpverlening gericht kan worden aangeboden. Het aantal meldingen moet omhoog, de cijfers van mishandeling moeten omlaag. Door vaker te signaleren is een toename van meldingen tussen 2007 en 2010 te verwachten. In het jaar 2010 verwachten wij een toename van 4800 meldingen ten opzichte van 2006. Het aantal interventies moet zijn toegenomen van 400 in 2006 tot meer dan 1000 in 2010.
Binnen de aanpak van eergerelateerd geweld is er bijzondere aandacht voor Rotterdammers met een niet-westerse achtergrond. Door de GGD is de werkgroep Preventie ingesteld . In deze werkgroep wordt ondermeer gewerkt aan een gezamenlijke gedragscode en handelingsprotocol ten behoeve van signalering, melding en bemiddeling in gevallen van huiselijk of eergerelateerd geweld. Deelnemers zijn onder meer: Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR), Donna Daria, Stichting Vluchtelingen Organisaties Rijnmond (SVOR), Islamitische Universiteit, Stimulans, de Allochtonentelefoon en het Platform Buitenlanders Rijnmond.
SPIOR en SVOR voeren specifieke projecten uit rond het thema eergerelateerd geweld, gefinancierd door het Ministerie van Justitie en SoZaWe. Deze projecten stemmen de activiteiten af op de stedelijke aanpak en werken samen met het Kernteam Eergerelateerd Geweld (KEG). De andere deelnemers van de werkgroep preventie besteden binnen de activiteiten integraal aandacht aan huiselijk- en eergerelateerd geweld.
In het KEG team , waarin politie, GGD en Arosa samenwerken, zijn in 2006 30 casussen besproken. Waar nodig is direct actie ondernomen om escalatie voorkomen en slachtoffers te beschermen.
Over voortgang en resultaten van deze aanpak wordt u in mei separaat door ons geďnformeerd in de eerste voortgangsrapportage van de aanpak Eergerelateerd geweld.
Vraag 2:
Plegers worden strafrechtelijk vervolgd. Bij aanhouding worden zij onder drang en dwang aangezet tot het volgen van een hulpverleningstraject.
Wanneer en hoe gaat u uitvoering geven aan de plannen om de daders uit huis te plaatsen, waardoor de slachtoffers thuis met hun kinderen kunnen blijven wonen en hiermee het prangende probleem van te drukke, te spanningsvolle opvanghuizen snel kan worden opgelost. En als dat niet gebeurt hoe wordt dan het hoofd geboden aan de hoge drukpan, zoals prof Wolf de opvang omschrijft?
Antwoord:
Naar verwachting wordt per 1 april 2008 de wet ‘Huisverbod voor Plegers’ van kracht. Deze wet biedt de mogelijkheid vrouwen en kinderen in de eigen woning te laten achterblijven, terwijl de plegers een huisverbod krijgen van tien dagen met een verlengingsmogelijkheid. Gedurende deze periode wordt voor het hele gezin hulp ingezet. Op dit moment zijn we bezig met de voorbereiding van opvangmogelijkheden voor plegers, zodat op het moment dat het huisverbod wettelijk van kracht wordt de opvang voor uit huis geplaatste plegers is geregeld.
Deze maatregel zal inderdaad de vrouwenopvang ontlasten. Het verschijnsel hoge drukpan, zoals in het rapport wordt vermeld, is in Rotterdam overigens minder van kracht dan in de overige vrouwenopvang in ons land, omdat de opvang in Rotterdam meer dan gemiddeld privé ruimte biedt aan de vrouwen.
Vrouwenopvang zal noodzakelijk blijven om, in gevallen van acuut geweld en levensbedreiging, bescherming te kunnen bieden aan vrouwen en kinderen.
Vraag 3:
“De hele aanpak van zowel huiselijk als eergerelateerd geweld in Rotterdam is er op gericht dat geweld niet getolereerd wordt en zichtbaar moet worden. We weten allemaal dat dit zal leiden tot een nog grotere druk op de opvang, de zorg en de politie. Er is ons altijd verzekerd dat geen vrouw zonder opvang komt te zitten, geen kind zonder de juiste aandacht en geen dader zomaar weg kan komen met wat hij (nog steeds de hoofdmoot) heeft gedaan.”
Kunt u op dit moment de zekerheid geven dat alle vrouwen en kinderen die zich gemeld hebben een plek hebben en dat alle daders in een strafrechtelijk of hulpverleningstraject zitten?
Antwoord:
Vrouwenopvang is een landelijk toegankelijke opvang. Van de aanmeldingen in Rotterdam hebben wij in 2006 voor 1000 vrouwen een plek buiten onze lokale voorzieningen gezocht. Van deze 1000 vrouwen is een kleine 20% niet geplaatst en met begeleiding weer naar huis gegaan. In uitzonderingsgevallen wordt een hotel geboekt in samenwerking met de politie om de veiligheid zoveel mogelijk te waarborgen, maar dit gebeurt zelden (zie verder vraag 7).
In Rotterdam is een breed aanbod van plegerhulp voor huiselijk geweld. In 2006 is een screeningsteam ingesteld, dat een methodiek ontwikkelt om tot een goede verwijzing te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende plegerprofielen. Doel is eind 2007 met 85% van de aangehouden plegers een screeningsgesprek te hebben gehouden en deze doorverwezen te hebben naar een behandelende instelling. Eind 2007 vindt een evaluatie plaats, die zich richt op de effectiviteit van de plegeraanpak.
Vraag 4:
“Met de huidige middelen lijkt het ons niet mogelijk om deze belofte waar te kunnen maken. Het rijk is niet van plan om meer geld te geven en wijst naar de gemeente, maar wij maken als gemeente Rotterdam van ons eigen geld, opgebracht door onze eigen Rotterdammers al miljoenen vrij voor de vrouwenopvang.”
Hoeveel geld gaat u bij het rijk claimen of denkt u nodig te hebben om de capaciteit en aard van de opvang aan te passen aan de vraag?
Antwoord:
Op dit moment is nog niet duidelijk of er extra middelen nodig zijn ten behoeve van de Rotterdamse Vrouwenopvang. Wij betrekken dit punt bij de rapportage die we in juni 2007 naar u toe sturen, zoals wij bij vraag 7 toezeggen.
Vraag 5:
“De asielfunctie van de opvang is ok, maar echte hulp, de ruimte om langer in de opvang te mogen blijven en de noodzakelijke begeleiding om weer te kunnen functioneren buiten de opvang zijn knelpunten. Depressie, post traumatische stress stoornissen vragen ook om klinische hulp die uitblijft.”
Per wanneer hebt u deze problemen getackeld?
Antwoord:
Kortdurende verblijf en de relatief weinig stabiele situatie in de vrouwenopvang is vaak een contra-indicatie is voor het in behandeling nemen van vrouwen, terwijl behandeling juist hard nodig is. Met aanbieders van GGZ hulp in Rotterdam zijn wij in overleg om de hulpverlening aan de vrouwen in de opvang te verbeteren. Op dit moment kunnen we geen toezegging doen omtrent de termijn waarop een en ander geregeld kan zijn.
De stichting Arosa biedt sinds vorig jaar GGZ-consultatie voor de werknemers in de vrouwenopvang, waar de hulpverleners (allen HBO geschoold) gebruik van maken.
Vraag 6:
‘Dit is voor ons mede van belang omdat de meeste vrouwen die in de opvang zitten kinderen hebben voor wie het niet goed is dat hun moeder lichamelijk en geestelijk zo slecht in haar vel zit.”
Is de vrouwenopvang toegesneden op de hulpvraag van deze vrouwen?
Antwoord:
Dit punt komt uitgebreid aan de orde in het rapport Maat en Baat. Stichting Arosa stelt een plan op om kinderen in de opvang zorg te bieden, zowel op hulpverlenings- als ontspanningsvlak. Dit verbeterpunt wordt de komende maanden uitgewerkt, we berichten u hierover in juni.
Vraag 7:
“Het onderzoek bevat nog veel meer aangrijpingspunten en behandelt nog veel meer aspecten van opvang, slachtofferschap etc. die ik nu niet aan de orde heb gesteld.”
Bent u bereid de raad binnen 3 maanden een plan van aanpak te sturen?
Antwoord:
Wij zijn het met u eens dat het onderzoek veel aangrijpingspunten bevat. Na vertaling naar onze lokale situatie, leggen wij u in juni 2007 een plan van aanpak voor, inclusief planning en financiering, waarin wij voorstellen doen voor verbetering op de volgende punten:
- Zorg voor kinderen in de opvang.
- Toegankelijkheid van de GGZ sector voor wat betreft hulp aan vrouwen en kinderen in de Rotterdamse opvang.
- Functioneren van crisisopvang
- Capaciteit van de lokale opvang, verbetering instroom, doorstroom en uitstroom
- Aanbod in praktische hulpverlening (taal, huisvesting, inkomen, dagbesteding)
- Differentiatie in doelgroepen in de opvang
- Doorstroom naar AWBZ-gefinancierde woonvormen voor vrouwen die niet over voldoende competenties beschikken om zelfstandig te wonen.
Er is onderscheid aan te brengen tussen verbeteringen die op lokaal niveau kunnen worden opgepakt en knelpunten waarbij steun van het Rijk noodzakelijk is. Voor wat betreft de knelpunten die het lokale niveau overstijgen, noemen we de volgende punten:
- Landelijke capaciteit
- Problematiek van mishandelde vrouwen met partnerafhankelijke status
- Samenwerking met aanpalende landelijk georganiseerde en gefinancierde sectoren zoals Jeugdzorg en GGZ
- Opzetten van landelijke screening- of instroom-centra
- Positie van vrouwenopvang in de ketenaanpak Huiselijk Geweld
- Inzetten van dwang en drang bij plegeraanpak
- kostprijssystematiek, registratie, methodiekontwikkeling, onderzoek en evaluatie
Op deze punten wordt in G-4 verband een plan opgesteld, waarbij indien nodig gezamenlijk bij het rijk een claim wordt gelegd. De uitkomst van deze landelijke inventarisatie wordt als onderdeel van het plan voor verdere verbetering van de kwaliteit van de vrouwenopvang aan u voorgelegd in juni 2007.
Samenvattend geeft het rapport Maat en Baat van de vrouwenopvang aanleiding concrete verbeteringen in de vrouwenopvang te realiseren. U ontvangt hierover in juni 2007 een voorstel, waarin de door u aangereikte punten worden behandeld.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De secretaris, De burgemeester,
A.H.P. van Gils I.W. Opstelten
Behandelend ambtenaar: A. de Jong