Het laatste van Schriftelijke Vragen

mei 10, 2012
Dierenopvangcentra Rijnmond (n.n.b)

mei 04, 2012
Criminelen op billboards (n.n.b)

mei 02, 2012
Vrijmarkt Coolsingel (n.n.b)

mei 01, 2012
Politiezorg Rozenburg (n.n.b)

april 25, 2012
Bedrijfsreinigingsrecht (n.n.b)

april 24, 2012
Subsidie Megastad FM

april 18, 2012
Naheffing belastingen (n.n.b)

april 18, 2012
Opvanghuis Nora Storm (n.n.b)

april 17, 2012
Hennepplantage in pand WOM (n.n.b)

maart 27, 2012
Rappende homohater (n.n.b)

maart 26, 2012
Vervallen volkstuincomplex Bosdreef (n.n.b)

maart 23, 2012
Wooncarrière Woonbron (n.n.b)


Groene grabbelton deel 2; ‘Hittestress in Rotterdam’

Rotterdam, 13 september 2011.

Onderwerp:
Beantwoording van de schriftelijke vragen van het raadslid R. de Jong (Leefbaar Rotterdam) over Groene grabbelton deel 2; onderzoek ‘Hittestress in Rotterdam’.

Aan de Gemeenteraad.

Op 11 augustus 2011 stelde het raadslid R. de Jong (Leefbaar Rotterdam) ons schriftelijke vragen over ‘Groene grabbelton deel 2; onderzoek ‘Hittestress in Rotterdam’.

Inleidend wordt gesteld:
“Al eerder stelden wij dat projecten op het gebied van duurzaamheid uit een groene grabbelton lijken te komen te komen. Een recent onderzoek van maar liefst 600.000,- naar ‘Hittestress in Rotterdam’ is hierop geen uitzondering. Dat onderzoek wordt mede op kosten van de gemeente Rotterdam uitgevoerd.

Sinds de zomer van 2009 wordt er onderzoek gedaan naar stedelijke hitte-eilanden, omdat hittestress het welzijn van mensen zou verlagen. Belangrijkste conclusie; “het temperatuurverschil met een plek buiten de stad kan flink oplopen. In het lommerrijke Kralingen kan het bijvoorbeeld een stuk minder warm zijn dan in Nieuw Mathenesse“. Belangrijkste aanbeveling: meer water en groen aanleggen, “want dat zorgt voor schaduw en een prettig briesje”.

Wetenschappers zoals Simon Rozendaal en Luc Bonneux, die door een krant over het onderzoek werden geraadpleegd, spreken over “lachwekkende aanbevelingen” en “paniekzaaierij”. Ik sluit mij hier bij aan, maar ik heb daarbij nog de volgende vragen:”

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Had u daadwerkelijk een onderzoek van 600.000 euro nodig om deze conclusie te kunnen trekken?

Antwoord:
In het algemeen vindt wetenschappelijk onderzoek plaats om veronderstellingen over een bepaald fenomeen te onderbouwen met (gemeten) feiten, ook als er een redelijke veronderstelling is over hoe ‘het zou kunnen werken’. Onderzoek is onder andere noodzakelijk voor onderbouwing van investeringsbeslissingen, investeringen waar meestal een veelvoud aan kosten mee gemoeid is. Onderzoek geeft ook beredeneerd zicht op aspecten die op voorhand niet voorzien waren en daarmee tot een ander besluit kunnen leiden, bijvoorbeeld ‘niet investeren’ of ‘anders investeren’.
Over het ‘hitte-eiland-effect’ in stedelijk gebied in Nederland is weinig bekend. Wel is de veronderstelling dat dit op termijn gevolgen kan hebben voor de leefbaarheid in steden. Daarom is binnen het rijkssubsidieprogramma Kennis voor Klimaat (hoofdopdrachtgever ministerie I&M) in 2009 besloten om, voor het eerst in Nederland, onderzoek te doen naar het ‘hitte-eiland-effect’ in stedelijk gebied. Verspreid over meerdere jaren zijn er metingen in verschillende steden, zoals Rotterdam en Arnhem, verricht door een consortium met onder andere TNO, Wageningen Universiteit, Alterra en Deltares. Voor het eerst is aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van een hitte-eiland effect in Nederlandse steden waarbij ook de ruimtelijke variatie in beeld is gebracht. Op basis van deze wetenschappelijke feiten kan beter beoordeeld worden of ‘hittestress’ voor Rotterdam op termijn tot schade (economisch, leefbaarheid) kan leiden en of maatregelen gewenst zijn. Omdat wordt aangehaakt bij een nationaal onderzoeksprogramma met rijkssubsidie (50%) én cofinanciering door diverse partijen, is voor de gemeente (en andere partijen) sprake van een gunstige kosten-batenverhouding.

Vraag 2:
Begrijpt u waarom serieuze wetenschappers dit een “kulstudie” noemen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Wetenschappers van de bovengenoemde instituten TNO, Wageningen Universiteit, Alterra en Deltares zijn gerenommeerd in binnen- en buitenland. Daarnaast worden alle onderzoeksresultaten en rapportages gereviewd door een groep van onafhankelijke wetenschappers. Daarmee is de kwaliteit wetenschappelijk geborgd.

Vraag 3:
Had u niet zelf kunnen verzinnen dat een stad met mensen, huizen, asfalt en allerhande warmteopwekkende bedrijvigheid, meer warmte produceert (en beter vasthoudt) dan een groen weiland?

Antwoord:
Dat lag in de lijn der verwachtingen. Echter, nu is aangetoond wat de omvang en ruimtelijke variatie is voor de lokale situatie. Ook kan, zoals gesteld bij het antwoord op vraag 1, beoordeeld worden of voor Rotterdam maatregelen gewenst zijn en, indien positief beantwoord, welke maatregelen het meest effectief en economisch verantwoord zijn. Gericht vergroten van het areaal groen in de stad zou bijvoorbeeld een potentieel kansrijke maatregel kunnen zijn. Hiermee kan maximale synergie worden gezocht met de collegetarget voor het vergroenen van de stad.
Het onderzoek is een bouwsteen voor een voorstel hoe Rotterdam klimaatbestendig kan worden gemaakt (adaptatiestrategie). Hierbij wordt bijvoorbeeld ook gekeken naar veiligheid tegen overstromingen en gevolgen voor het stedelijk watersysteem. Naar verwachting zal een integraal voorstel voor de adaptatiestrategie in 2014 voorliggen.

Vraag 4:
Wat gaat het onderzoek de gemeente Rotterdam in totaal kosten en wat gaat het opleveren?

Antwoord:
De bijdrage van Rotterdam bedraagt ongeveer € 100.000,=. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 geeft het de gemeente inzicht in wetenschappelijke feiten voor de lokale situatie ten aanzien van ‘hittestress’. Daarmee kan beoordeeld worden of er daadwerkelijk negatieve effecten zijn te verwachten van het hitte-eiland-effect in Rotterdam bij toenemende frequentie van extreem warme perioden. Hierdoor kunnen afwegingen voor investeringen in maatregelen beter worden gemaakt. Of de resultaten van het onderzoek aanleiding geven tot het advies om nu of op een ander moment extra maatregelen te nemen en welke dan, is nog niet bepaald. Het onderzoek geeft bouwstenen voor een integraal voorstel voor de adaptatiestrategie voor Rotterdam.
Het laten uitvoeren van onderzoek voor onderbouwing van investeringsbeslissingen geeft ook aan dat Rotterdam, zeker in tijden van krimpende budgetten, niet over één nacht ijs gaat. Het draagt daarmee ook bij aan een groene, gezonde en economisch sterke stad die belang hecht aan een goede leefomgeving voor haar burgers.
Overigens blijkt uit de COS-enquête 2011 dat 75% van de Rotterdamse burgers denkt dat het klimaat verandert en 51% maakt zich daar zorgen over. Dit ondersteunt de keuze van het stadsbestuur om gericht in te zetten op een duurzame en klimaatbestendige ontwikkeling van Rotterdam.

Vraag 5.
Met het oog op verantwoording van belastinggeld, zouden dergelijk dure onderzoeken niet voorafgaand door de gemeenteraad beoordeeld en goedgekeurd moeten worden?

Antwoord:
Het college opereert vanzelfsprekend binnen de door de raad gestelde kaders. Zo is het college eind 2008 akkoord gegaan met het Rotterdam Climate Proof-programma. De destijds verantwoordelijke wethouder Bolsius heeft de raadscommissie FIBS hierover geïnformeerd. Het klimaatbestendig maken van Rotterdam, en daarmee het onderzoek dat nodig is voor de onderbouwing van maatregelen, is sinds dit voorjaar expliciet opgenomen als onderdeel van het programma Duurzaam. Dit programma is in juni jl. met de gemeenteraad besproken en heeft tot een aantal aanpassingen geleid. Deze wijzigingen hadden overigens geen betrekking op de adaptatieaanpak. Na vaststelling van het programma wordt dit, met al zijn onderdelen, onder aansturing van het verantwoordelijke collegelid uitgevoerd. Uw raad wordt via de afgesproken rapportages over de resultaten, effecten en voortgang van het programma periodiek op de hoogte gehouden. Ons college legt bovendien ook via de reguliere P&C-systematiek verantwoording af over de uitvoering van zijn beleid binnen de via het programma Duurzaam gegevens kaders.
Overigens is het uitgangspunt bij de kennisontwikkeling binnen het programma Duurzaam het aangaan van samenwerking en gezamenlijk financieren. Het aanhaken bij het landelijke Kennis voor Klimaat programma, waarmee optimaal wordt geprofiteerd van beschikbare rijkssubsidies, is hiervan een voorbeeld. Ook voor het onderzoek naar hittestress binnen Kennis voor Klimaat heeft Rotterdam slechts een deel van de kosten gedragen, zoals ook blijkt uit het antwoord op vraag 4.

Vraag 6:
Vindt u dergelijke onderzoeken een nuttige investering, in tijden met grote tekorten en een weerstandsvermogen dat op 0 euro staat?

Antwoord:
Zie ons antwoord op vraag 4.

Verder stelt Leefbaar Rotterdam:
“Wij zijn al lang een verklaard tegenstander van nutteloze klimaatmaatregelen omdat het effect vaak niet te meten valt, maar ook omdat er geen aanleiding toe bestaat. Geen enkele Rotterdammer heeft ooit bij ons geklaagd over het ‘warme klimaat’ in de stad en de afgelopen jaren was daar dan ook bar weinig aanleiding toe. Rotterdammers klagen wel over hun stookkosten, over gladheid en het niet tijdig verwijderen van sneeuw en ijs in de winter. In aanvulling hierop: onderzoek toont aan dat er elk jaar veel meer ouderen sterven in de koude wintermaanden dan in de warme zomermaanden. Er is dus veel meer sprake van koudestress dan van hittestress.”

Vraag 7:
Waarom denkt u dat hittestress in Rotterdam een dermate groot probleem is dat dit een onderzoek van 600.000 euro rechtvaardigt?

Antwoord:
Hittestress is één van de potentiële problemen waar Rotterdam mee te maken zou kunnen krijgen. Zonder kennis hierover en anticipatie hierop zou de stad op termijn geconfronteerd kunnen worden met hogere kosten dan dit onderzoek om de gevolgen van hittestress te bestrijden. Zonder onderzoek dat feitelijke gegevens oplevert over het mogelijk vóórkomen van hittestress in Rotterdam, in welke gebieden en met welke mogelijke gevolgen voor bewoners en functioneren van de stad, kan de vraag óf het een probleem is niet voldoende aannemelijk worden beantwoord. Dan blijft het slechts bij een hypothese. Dit is de reden dat aan dit landelijke onderzoek, waarbij ook in Rotterdam is gemeten, is bijgedragen. 
Zoals aangegeven bij het antwoord bij vraag 4 zijn er door de gemeente nog geen conclusies getrokken uit het onderzoek voor de situatie in Rotterdam en of maatregelen gewenst zijn om schade te voorkomen. Dit zal in samenhang met verkregen inzichten op andere terreinen, zoals het stedelijk watersysteem, plaatsvinden zodat zoveel mogelijk synergie wordt bereikt.

Vraag 8:
Hoeveel overwegend oudere Rotterdammers zijn er afgelopen winter opgenomen in ziekenhuizen of huisartsposten met verwondingen, botbreuken of verstuikingen als gevolg van gladheid in de wintermaanden?

Antwoord:
Het concern Rotterdam beschikt niet over specifieke gegevens voor Rotterdam. De Stichting Consument en Veiligheid heeft eerder dit jaar een inschatting gemaakt van het aantal ongevallen door gladheid in de sneeuwperiode van de afgelopen winter. Het gaat daarbij om algemene cijfers over uitglijdongevallen in heel Nederland. Volgens de stichting zijn in de periode van 28 november tot en met 31 december 2010 18.000, merendeel oudere, mensen in Nederland op de spoedeisende hulp van een ziekenhuis behandeld, nadat ze lopend of met de fiets of bromfiets waren uitgegleden. Ook Stichting Consument en Veiligheid heeft geen gegevens specifiek voor Rotterdam.

Vraag 9:
Waar denkt u als stadsbestuur meer invloed op uit te kunnen oefenen: het bestrijden van gladheid op straat of het tegengaan van een veronderstelde opwarming van het klimaat en vindt u dat u met het oog hierop de juiste prioriteiten stelt?

Antwoord:
Een verantwoordelijk stadsbestuur heeft zowel aandacht voor zaken op de korte als op de langere termijn. Alleen gerichtheid op de korte termijn kan ertoe leiden dat er uiteindelijk hogere maatschappelijke kosten gemoeid zijn met de aanpak van ‘plotseling’ optredende problemen. Regeren is immers vooruitzien. Gericht onderzoek draagt bij aan verantwoorde besluiten. Soms ook tot een besluit iets niet te doen. Soms tot besluiten om nu maatregelen te gaan voorbereiden zodat er op termijn geen problemen opduiken die om een direct antwoord vragen.
Het is dus ‘en-en’. Zowel de gladheidsbestrijding als het slim anticiperen op klimaatveranderingen om op korte en lange termijn de juiste maatregelen te kunnen nemen zijn van belang.
Overigens heeft de Rotterdamse klimaatadaptatieaanpak niet tot doel de opwarming van het klimaat tegen te gaan, maar om ‘gesteld te staan’ indien klimaatverandering in meer of mindere mate negatieve effecten blijkt te hebben voor de deltastad Rotterdam. Verstandig anticiperen is voor een wereldhavenstad voorwaarde om veilig en leefbaar te blijven en het vertrouwen van investeerders te behouden. Bovendien kan Rotterdam de resultaten van de toegepaste kennis vermarkten om de stad economisch sterker te maken.

Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,

De secretaris,
A.H.P. van Gils

De burgemeester,
A. Aboutaleb