Rotterdam, 12 juli 2011.
Onderwerp:
Beantwoording van de schriftelijke vragen van het raadslid M. Živanović over documentaires Margit Balogh.
Aan de Gemeenteraad.
Op 4 juli 2011 stelde mevrouw M. Živanović ons schriftelijke vragen over de documentaires van Margit Balogh.
In de schriftelijke vragen van mevrouw Živanović wordt inleidend gesteld:
“Margit Balogh heeft drie documentaires gemaakt die door de EO zullen worden uitgezonden. Donderdag 30 juni was de persviewing van de documentaire ‘Lost Mother’ van documentairemaakster Margit Balogh. Balogh heeft moeder Nel twee jaar lang gevolgd. Nel is moeder van 9 kinderen. De kinderen zijn slachtoffer geweest van seksueel misbruik en mishandeling, gepleegd door de vader. Dit is door moeder gemeld en vader is inmiddels uit beeld. Er zijn bij dit gezin meer dan 25 instanties betrokken.
Een van de dochters is uit huis geplaatst omdat er sprake zou zijn van seksueel misbruik door één van de oudere kinderen. Volgens de documentaire zouden de drie jongste kinderen in huis mogen blijven wonen.
Ik begrijp dat de documentaire eenzijdig is belicht, maar dit laat onverlet dat het vragen bij ons oproept.”
Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording.
Vooraf
De documentairemaakster heeft de mensen die in de documentaires centraal staan twee jaar lang gevolgd en daar een drieluik van gemaakt. In dit drieluik wordt de hulpverlening door de ogen van deze mensen gevolgd. Het perspectief van de hulpverleners van onder meer Bureau Jeugdzorg komt in de documentaire ’Lost Mother’ niet aan bod. Uit de medewerking van de hoofdrolspelers aan de documentaire zou kunnen worden afgeleid dat zij geen problemen zullen hebben met het verstrekken van specifieke persoonlijke informatie. Wij zijn van oordeel dat het ons op basis van de huidige wettelijke kaders rond privacy evenwel niet past om en detail in te gaan op deze individuele casus. Daarnaast geldt dat de Bureaus Jeugdzorg in Nederland een uitgebreid klachtenrecht kennen, juist omdat sprake kan zijn van tegengestelde belangen van kinderen en ouders en de hulpverleners die verantwoordelijk gesteld zijn voor de veiligheid van het kind. Noch door de betrokken moeder, noch door de (meerderjarige) kinderen, noch door de advocaat van de familie is de afgelopen jaren gebruik gemaakt van de klachtenprocedure.
De Stadsregio Rotterdam is verantwoordelijk voor het Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam. Als portefeuillehouder jeugd in het dagelijks bestuur van de Stadsregio Rotterdam heeft de wethouder Onderwijs, Jeugd en Gezin informatie van Bureau Jeugdzorg gekregen over deze familie en de afstemming tussen de partijen. Op basis daarvan kunnen wij binnen de geldende wettelijke kaders rond privacy een deel van de vragen 1 tot en met 10 beantwoorden en zodoende een deel van het andere perspectief aangeven. Daarna volgen de antwoorden op vragen 11 tot en met 15.
Vraag 1:
Hoe is ervoor gezorgd dat het gezin de hulpverlening krijgt die het nodig heeft?
Vraag 2:
Welke, van de 25 betrokken instanties, had de regie?
Vraag 3:
Welke afspraken hebben de betrokken instanties met elkaar gemaakt?
Vraag 4:
In hoeverre is gevolg gegeven aan de invulling van deze regiefunctie?
Dan wordt gesteld:
“De kinderen gaan naar dezelfde basisschool. De directeur van deze school uit forse kritiek op Bureau Jeugdzorg en suggereert dat Bureau Jeugdzorg geen contact heeft gezocht met de school in het kader van het onderzoek. Hij zou zelfs niet meer durven te melden bij Jeugdzorg omdat het fout gaat.”
Vraag 5:
Is er contact geweest tussen Bureau Jeugdzorg en de basisschool? Zo ja, kunt u aangeven wat de aard, frequentie en resultaat van deze contacten is geweest?
Vraag 6:
Het is schokkend dat de directeur niet meer zou durven melden bij Jeugdzorg. Wat gaat u doen met dit signaal? Welke concrete acties gaat u ondernemen?
Vervolgens wordt gesteld:
“Naast de school, uit de advocate van de moeder, de hulpverlener aan huis en de documentairemaker forse kritiek op Bureau Jeugdzorg. Feiten zouden zijn verdraaid, zaken uit het verband getrokken en zelfs onwaarheden verteld.”
Vraag 7:
Kloppen deze aantijgingen? Zo ja, wat gaat u aan dit probleem doen? Zo nee, hoe verklaart u de aantijgingen?
Dan wordt gesteld:
“Eén van de kinderen is uit huis geplaatst wegens seksueel misbruik.”
Vraag 8:
Waarom is ervoor gekozen om het slachtoffer uit huis te plaatsen en niet de dader?
Vraag 9:
Klopt het dat de jongste drie kinderen nog thuis wonen en ook thuis hebben gewoond toen de vermoedelijke pleger van het seksueel misbruik nog in huis verbleef? Zo ja, kunt u aangeven waarom 1 kind uit is geplaatst en de pleger van het misbruik niet terwijl de andere jongere kinderen thuis zijn blijven wonen?
Dan stelt mevrouw Živanović:
“De meerderjarige broers hebben vastgezeten, geven aan geen vertrouwen te hebben in de hulpverlening en er ook niks aan te hebben. Na vrijlating lijkt in ieder geval 1 van de broers niet gemotiveerd om te zoeken naar werk en meedraaien in de maatschappij.”
Vraag 9A:
Welke maatregelen worden getroffen om te zorgen dat ook deze jongeren of werken of een opleiding volgen?
Dan wordt gesteld:
“Het beeld van gebrek aan vertrouwen in de hulpverlening en weigeren van hulp komt overigens ook veelvuldig aan de orde in de documentaire “Lost Boys”, waarbij de bende Bloods is gevolgd door Margit. De reden die de jongens geven voor het weigeren van hulp is dat hulpverleners niks doen. Er wordt voor de jongeren niet gezocht naar een woning en werk. Daarnaast, net als in “Lost Mother”, wordt beweerd dat de gezinsvoogd in plaats van wekelijks 1 of 2 keer per jaar contact heeft met de hulpbehoevende.”
Vraag 10:
In hoeverre is hier sprake van verkeerde verwachtingen?
Beantwoording van de vragen 1 tot en met 10:
In de loop van ruim 10 jaar krijgen moeder en kinderen zowel hulpverlening in het vrijwillig kader als in het gedwongen kader. Er is sprake van diverse beschermingsmaatregelen rond alle kinderen. De kinderrechter legt deze beschermingsmaatregelen op. Bureau Jeugdzorg is verantwoordelijk voor de uitvoering ervan en draagt de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de kinderen waarvoor een beschermingsmaatregel geldt. Het gaat hierbij zowel om ondertoezichtstellingen als om uithuisplaatsingen.
Er is sprake van signalen van seksueel misbruik. Op basis hiervan doet de politie onderzoek en vindt aanhouding van de (stief)vader plaats. De documentaire start op het moment dat de (stief)vader veroordeeld wordt voor de hem gepleegde strafbare feiten. De signalen van seksueel misbruik door één van de dochters stoppen daarmee niet. Naar aanleiding van deze signalen is wederom onderzoek ingesteld. Dit onderzoek heeft niet kunnen leiden tot vervolging.
De contacten tussen moeder en Bureau Jeugdzorg / zorginstellingen verlopen moeizaam. De moeder werkt niet / onvoldoende mee aan de noodzakelijk geachte hulpverlening. Het hulpaanbod wordt diverse keren afgewezen. Bureau Jeugdzorg lukt het met wisselend succes het contact te houden en hulp te bieden.
Vanuit haar regierol en de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de kinderen organiseert Bureau Jeugdzorg - na overleg met de Jeugdconsul - een periodiek overleg met betrokken partijen. Dit overleg heeft tot doel de voortgang van de aanpak van het gezin te bespreken en de activiteiten van betrokken partijen af te stemmen. Aan dit overleg neemt ook de basisschool deel. De basisschool staat van het begin af aan kritisch ten opzichte van de werkwijze van Bureau Jeugdzorg en haakt medio 2009 af. BJZ blijft contact zoeken en onderhouden met de basisschool. Het beeld dat de directeur van de basisschool in de documentaire schetst als zou er geen contact zijn tussen BJZ en de basisschool, delen wij op basis van de ons beschikbare gegevens dan ook niet.
De complexiteit van de problemen in het gezin is van een uitzonderlijke intensiteit. De moeizame verhouding van ouders ten opzichte van hulpverlening is minder uitzonderlijk want vloeit in situaties waarin sprake is van deze vorm van multi-problematiek, vaak voort uit de aard van de problematiek. Voor deze doelgroep is het ingewikkeld voor de hulpverleners de juiste zorg en ondersteuning te bieden. Daarbij geldt dat de veiligheid van het kind altijd voorop staat. Bureau Jeugdzorg is verantwoordelijk voor het borgen van deze veiligheid. Dit kan leiden tot tegenovergestelde belangen met de ouders van het kind. De medewerkers van Bureau
Jeugdzorg moeten ook wanneer sprake is van ernstig verstoorde verhoudingen en
gebrek aan medewerking, contact met cliënt(en) blijven zoeken en moeten (blijven) doen wat door hen in het belang van de kinderen geacht wordt.
Vraag 11:
Welke rol heeft jeugdreclassering bij het zoeken naar werk, woning en opleiding voor de hulpbehoevende jongeren?
Vraag 12:
Hoe zorgt u dat de verwachtingen helder zijn, dat alle partijen zich houden aan de afspraken, maar zich ook committeren?
Antwoord op de vragen 11 en 12:
Alle instellingen voor jeugdreclassering in Nederland werken sinds 2009 met het ‘handboek methode jeugdreclassering’. Bij deze eenduidige en ‘evidence based’-methode wordt gewerkt met een Plan van Aanpak waarin doelen, taken en verantwoordelijkheden van de jongeren (en waar mogelijk ouders) zijn vastgelegd. Een dergelijk Plan van Aanpak wordt zoveel mogelijk in samenspraak met de jongere (en waar mogelijk ouders) opgesteld. De jongere (en waar mogelijk ouders) stemmen ook met dit Plan van Aanpak in, aangezien een gesteund plan meer kans van slagen heeft. Verwachtingen van de jongere (en de ouders) en het hulpaanbod worden op deze manier beter op elkaar aangesloten.
De jeugdreclasseerder ondersteunt de jongere (en waar mogelijk de ouders) bij de toeleiding naar voorliggende lokale voorzieningen (o.a. op het gebied van werk, wonen en opleiding) of geďndiceerde vormen van zorg. Daarbij is te allen tijde voor de jongere (en waar mogelijk de ouders) helder dat de eerste verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de jongere zelf. De jeugdreclasseerder voert regie over de ketensamenwerking. Daarnaast toetst de jeugdreclasseerder controle-afspraken met de jongere (school, werk, thuiskomst, uitgaan etc.).
Vraag 13:
Op welke wijze bent u van plan bendevorming tegen te gaan in Rotterdam?
Antwoord:
Sinds 2006 werkt Rotterdam met de Groepsaanpak, een methodiek van Bureau Beke die in alle politieregio’s en in een groot deel van de gemeenten in Nederland wordt toegepast. In Rotterdam is voor de Groepsaanpak een samenwerking tussen gemeente, politie en OM opgezet. De Groepsaanpak brengt problematische jeugdgroepen (waaronder criminele jeugdgroepen) in kaart en bepaalt welke groepen met voorrang worden aangepakt. Op deelgemeentelijk niveau wordt vervolgens in overleg met politie en OM per jeugdgroep een plan van aanpak opgesteld. Afhankelijk van de aard van de jeugdgroep worden zowel repressieve als preventieve maatregelen ingezet met als doel het ongewenste gedrag van de groep te doorbreken en daarnaast een toekomstperspectief te bieden. Sinds de invoering van de Groepsaanpak in Rotterdam is het aantal problematische jeugdgroepen meer dan gehalveerd.
Vraag 14:
Wat vindt u van het feit dat een jongen die weliswaar op school zit en het goede pad lijkt te bewandelen, maar toch ook in een bende zit, daar vol lof over spreekt en geweld niet lijkt te schuwen betrokken is bij het jongerenwerk van Stichting DOCK?
Antwoord:
Rotterdam verwacht van zijn jongerenwerkers dat zij zich richten op het voorkomen van jeugdoverlast en motiveren van vroegtijdig schoolverlaters. Het feit dat Stichting DOCK jongeren ondersteunt bij het ontplooien van een initiatief gericht op re-integratie van jongeren in de maatschappij past daarin.
Bij gesubsidieerde organisaties die het product jongerenwerk leveren (waaronder ook Stichting DOCK) werken professionele jongerenwerkers die allen meedoen aan het kwaliteitstraject jongerenwerk. Via dit kwaliteitstraject moeten zij voldoen aan de kerntaken en kerncompetenties zoals beschreven is in de ‘Rotterdamse methodiek jongerenwerk’. In de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid van uw raad mevrouw J.L. Ton (Leefbaar Rotterdam) over crimineel gedrag jongerenwerkers is het belang van dit kwaliteitstraject nog eens benadrukt. Alle organisaties die jongerenwerk uitvoeren dienen bij aanvang een Verklaring Omtrent Gedrag van de betreffende jongerenwerker te eisen. Jongerenwerkers die ingezet worden hebben een voorbeeldfunctie naar jongeren waar zij mee werken. Jongerenwerkers hebben zich bewust te zijn van hun voorbeeldfunctie naar jongeren, ook in hun vrije tijd. Aan dienst Jeugd, Onderwijs en Samenleving (JOS) wordt in deze specifieke casus gevraagd na te gaan of voldaan is aan de genoemde kwaliteitseisen.
Dan stelt mevrouw Živanović:
“Ook in de analyse van de jeugdconsul wordt aangegeven dat hulpverleners nog te vaak langs elkaar heen werken. Volgens de wethouder zou daarom de gezinscoach bij grote problemen een hoofdrol moeten krijgen. Uit onderzoek zou nog moeten blijken of de gezinscoach voldoende is toegerust voor deze taak.”
Vraag 15:
Betekent dit dat de gezinscoach bij grote problemen de regie krijgt of neemt de gezinscoach taken van de jeugdconsul over? Welke (aanvullende) taken krijgt de gezinscoach daarmee?
Antwoord:
De rollen van de gezinscoach en de jeugdconsul verschillen van elkaar. De jeugdconsul is ervoor om crisissituaties op te lossen en stagnerende (individuele) zorgtrajecten te doorbreken. Daarnaast adviseert de Jeugdconsul aan het college van burgemeester en wethouders over verbetering van het systeem van zorg- en hulpverlening aan multiprobleemgezinnen en risicokinderen, zowel vanuit het vrijwillige als vanuit het gedwongen kader.
De gezinscoach heeft een actieve rol in de dagelijkse begeleiding van het gezin en brengt samenhang en continuďteit aan in de hulp die het gezin krijgt. De gezinscoach zorgt waar nodig, voor afstemming en coördinatie tussen verschillende hulpverleners.
De gezinscoach is dus onderdeel van het zorgaanbod, terwijl de kern van de taak van de jeugdconsul is te interveniëren bij in crisissituaties en bij stagnerende zorgtrajecten.
In de aanbiedingsbrief bij de analyse van de jeugdconsul over het jaar 2010 (kenmerk 695753, d.d. 28 juni 2011) wordt geconstateerd dat niet zelden in multiprobleemgezinnen meerdere hulpverlenende partijen worden ingezet, die elk hun ‘eigen’ deel van de problematiek in het gezin aanpakken. Vraag is, of de hulpverlening aan die gezinnen daardoor niet nóg complexer en ingewikkelder wordt en zo ja, of het mogelijk is dit te doorbreken door bijvoorbeeld de inzet van een zwaardere en bredere ‘generalist - de gezinscoach - die het betreffende gezin langere tijd en op meerdere gebieden begeleidt. In 2011 en 2012 wordt nadrukkelijk onderzocht of vraag naar en aanbod van gezinscoaching kwantitatief en kwalitatief voldoende met elkaar in balans zijn.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De secretaris,
A.H.P. van Gils
De burgemeester,
A. Aboutaleb