De 80 – 20 – norm
Inleidend stelt de heer Simons:
“Op 14 september 2006 is in de commissie BVM het ‘Sociaal Jaarverslag 2005’ besproken. Mijn interesse ging uit naar de 80 – 20 – norm, de verhouding tussen direct en indirect personeel bij de verschillende diensten van de gemeente Rotterdam. In het sociaal jaarverslag wordt het waarom van de 80 – 20 – norm als volgt omschreven: “De gemeente Rotterdam legt prioriteit bij de burger en de uitvoering van beleid. Dit houdt in dat 80% van de formatieplaatsen direct ingezet worden en niet meer dan 20% indirect ingezet mag worden.” Naar aanleiding van bovengenoemde vergadering heb ik middels het aanschrijven van een aantal diensten van de gemeente Rotterdam, geprobeerd meer duidelijkheid te verkrijgen over de gebruikte definities bij het onderscheid direct versus indirect.
De beantwoording van mijn brieven geeft mij nog geen goed inzicht in de gebruikte definities. In elk geval wordt mij wel duidelijk dat verschillende diensten op verschillende wijze onderscheid maken tussen welke functies tot directe en welke tot indirecte arbeid gerekend worden. Bij sommige diensten worden zelfs delen van stafafdelingen gerekend de directe arbeid. Het lijkt er dan ook op dat de diensten zo invulling hebben gegeven aan de definities dat de uitkomst op papier aan de 80 - 20 – norm voldoen.
In de commissievergadering heb ik gewezen op een rapport van Berenschot (Overhead bij publieke organisaties: op zoek naar een norm, 2006) over dit onderwerp. Berenschot doet hierin een aantal aanbevelingen voor de te gebruiken definities en uitwerking daarvan bij overheidsorganen. Een van de bevindingen in het rapport is dat een grote overhead (veel indirect personeel) leidt tot: onnodige bureaucratie, interne gerichtheid en daardoor een slechte dienstverlening aan de burger. Het rapport zou bekeken worden op toepasbaarheid voor de gemeente Rotterdam.”
Hieronder volgen zijn vragen en onze beantwoording:
Vraag 1:
Welke definities zijn er binnen het concern voor directe en indirecte functies?
Antwoord:
De definities die binnen het concern Rotterdam vanaf 2007 gebruikt worden staan uitgewerkt in een notitie die op 9 februari 2006 in de commissie Middelen is besproken en op 28 februari 2006 door het college is vastgesteld.
De notitie met de vastgestelde definities is hierbij bijgevoegd.
Vraag 2:
Hoe kan het dat deze definities door verschillende diensten verschillend toegepast worden?
Antwoord:
Op basis van rapportages in de jaarverslagen van diensten is geconstateerd, dat sommige diensten het begrip directe en indirecte inzet van medewerkers verschillend interpreteerden. Dit was de aanleiding om de definities verder te operationaliseren en zowel ambtelijk als bestuurlijk te laten vaststellen.
Omdat deze operationele definities per 1 januari 2007 als concernaanwijzing zijn ingegaan, is het niet uitgesloten, dat tot die tijd sprake is van interpretatieverschillen.
Vraag 3:
Wat vindt u van het rapport van Berenschot en het door hen gehanteerde onderscheid in direct en indirecte arbeid?
Antwoord:
Het rapport van Berenschot dat in 2006 is uitgebracht, is een ondersteuning van het collegebeleid op dit thema. Het rapport geeft een nagenoeg overeenkomstige invulling van de begrippen directe en indirecte functies. Het rapport van Berenschot gaat ook in op het belang van een norm. De opstellers van dit rapport adviseren gemeenten zo’n norm op te stellen.
De gemeente Rotterdam hanteert al langer een norm. De 80 – 20-norm is bij de start van het vorige college in 2002 als concernnorm ingevoerd.
Vraag 4:
Zal de definitie van Berenschot gebruikt worden bij vaststelling van de verdeling tussen directe en indirecte arbeid bij de gemeente Rotterdam?
Antwoord:
Neen, de gemeente heeft vastgestelde definities, die nu worden toegepast.
Omdat de definities van Berenschot en van de gemeente een grote mate van overeenkomst vertonen, is daartoe geen reden.
Vraag 5:
Staat het college nog steeds achter het gebruik van de 80 – 20 – norm .
Antwoord:
Ja.
Vraag 6:
Is de wethouder bereid bij de volgende rapportage over de 80 – 20 – norm in het Sociaal Jaarverslag 2006 met een duidelijke toelichting te komen over de gebruikte definities?
Antwoord:
Nee, het Sociaal Jaarverslag is niet het middel om diep op alle gehanteerde definities in te gaan.
Vraag 7:
Wanneer wordt het Sociaal Jaarverslag 2006 aan de gemeenteraad aangeboden?
Antwoord:
Begin mei 2007.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De Secretaris, De Burgemeester,
A.H.P. van Gils J. Kriens, l.b.
Behandelend ambtenaar: Marian Meeuwsen