Rotterdam, 4 oktober 2011.
Onderwerp:
Beantwoording van de schriftelijke vragen van raadslid mevrouw drs. M. Zivanovic (Leefbaar Rotterdam) over Commissie-Samson inzake seksueel misbruik.
Aan de Gemeenteraad.
Op 1 juli 2011 stelde raadslid mevrouw drs. M. Zivanovic schriftelijke vragen over Commissie-Samson inzake seksueel misbruik.
Inleidend wordt gesteld:
“In opdracht van de regering doet de commissie-Samson twee jaar lang onderzoek naar seksueel misbruik in de periode 1945 t/m 2010 bij kinderen die onder verantwoordelijkheid van de overheid uit huis zijn geplaatst in (rijks)instellingen en pleeggezinnen. De commissie zal naar verwachting op 1 juli 2012 rapporteren.
Onlangs is het vierde openbare bericht van de commissie verschenen. De commissie is geschokt door de aard, de duur en de frequentie van de gevallen van seksueel misbruik. De commissie heeft inmiddels 500 meldingen binnengekregen waarvan de helft niet is verjaard. Over de laatste vijf jaar zijn er inmiddels 65 meldingen.
In tweederde van de gevallen waarin kinderen het misbruik hebben gemeld, is hier niets mee gedaan. Er zijn veel meldingen over recente en zelfs actuele gevallen van seksueel misbruik. In 2010 heeft de commissie in totaal 48 zaken aan het OM voorgelegd en in 2011 tot eind juni 5 zaken. Ik heb hier de volgende vragen over:”
Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:
Vraag 1:
Hoeveel meldingen in de periode van 1945 t/m 2010 hebben betrekking op de regio Rotterdam? Kunt u daarbij de afgelopen vijf jaar uitsplitsen naar jaartal?
Vraag 2:
Hoeveel meldingen hebben betrekking op seksueel misbruik gepleegd in (rijks)instellingen en hoeveel meldingen hebben betrekking op seksueel misbruik gepleegd in pleeggezinnen?
Vraag 3:
In hoeveel gevallen is het misbruik gemeld en is hier niets mee gedaan?
Vraag 4:
Wat is de reden dat er geen opvolging is gegeven aan de meldingen inzake het gemelde misbruik?
Vraag 5:
Hoeveel pleeggezinnen waarbij misbruik is gemeld, heeft later weer pleegkinderen op kunnen nemen?
Vraag 6:
Hoeveel van de 53 zaken die van 2010 tot heden zijn voorgelegd aan het OM, betreft Rotterdamse gevallen? Wat is de stand van zaken met betrekking tot deze meldingen?
Antwoord op de vragen 1 t/m 6:
Naar aanleiding van uw schriftelijke vragen, heeft de wethouder Onderwijs, Jeugd en Gezin aan de Commissie Samson het verzoek gericht bovenstaande vragen te beantwoorden.
De voorzitter van de Commissie Samson heeft schriftelijk gereageerd op ons verzoek. Zij heeft laten weten in 2010 ingesteld te zijn door de voormalige ministers van Justitie en Jeugd en Gezin. Er wordt geen onderzoek gedaan in een specifieke regio.
De voorzitter laat weten dat zij met regelmaat verzoeken krijgt om informatie te verschaffen over de inhoud van de meldingen. Echter, de commissie garandeert de melders vertrouwelijk met de informatie om te gaan. Er wordt geen informatie verstrekt over de spreiding van de meldingen. Wel wordt genoemd dat meldingen komen uit het hele land en betrekking hebben op alle tijdvakken vanaf 1945.
Tussentijds wordt door de commissie gerapporteerd over de stand van zaken. Naar verwachting komt de eindrapportage van de Commissie Samson in 2012. De voorzitter kan nog niet overzien of de eindrapportage meer inzicht geeft in bovenstaande vragen.
Vraag 7:
Welke maatregelen gaat u nemen n.a.v. deze tussenrapportage om te zorgen dat de kinderen die vaak uit huis zijn geplaatst vanwege ernstige gezinsproblemen, eindelijk in een veilige omgeving kunnen opgroeien?
Antwoord:
De commissie Samson heeft haar tussentijdse en algemene rapportage gepresenteerd. De inhoud van de rapportage geeft nu geen aanleiding om over te gaan tot specifieke maatregelen. De definitieve rapportage moet uitwijzen of er redenen zijn om voor organisaties in deze regio specifieke maatregelen te treffen.
Met de betreffende instellingen voor jeugdzorg wordt, vanuit de stadsregio, regulier gesproken over hun werkwijzen rondom veiligheid, zodat deze blijven aansluiten bij de laatste inzichten en ontwikkelingen. Daarnaast ziet ook de Inspectie Jeugdzorg toe op de wijze waarop jeugdzorgaanbieders omgaan met de veiligheid binnen hun organisatie.
Het zorg dragen voor een veilige omgeving voor de kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd ligt voor de organisaties aan de basis van de uitvoering van hun werkzaamheden. Het voorkomen van seksueel misbruik en seksueel grensoverschrijdend gedrag is onderdeel van het bredere veiligheidsbeleid van de instellingen.
Via de volgende beleidslijnen wordt actie ondernomen:
1. Alle instellingen hanteren protocollen waarin beschreven staat wat de (gedrags)regels zijn ten aanzien van het onderwerp. De protocollen zorgen voor duidelijke richtlijnen en werkwijzen als het gaat om hoe kinderen en ouders bejegend dienen te worden, preventie, het reageren op incidenten en het personeelsbeleid, waaronder werving en scholing.
2. Nieuwe medewerkers dienen voorafgaand aan hun werkzaamheden een Verklaring Omtrent Gedrag af te geven. Nieuwe medewerkers worden bekend gemaakt met protocollen, regels en de gedragscode van de instelling organisatie waar zij werkzaam zijn.
3. Door middel van deskundigheidsbevordering worden medewerkers geschoold in het signaleren van seksueel overschrijdend gedrag en het indien nodig nemen van actie door het trainen in (gespreks)methodieken en door hen bekend te maken met procedures voor het doen van meldingen.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De secretaris,
A.H.P. van Gils
De burgemeester,
A. Aboutaleb