Rotterdam, 31 januari 2012.
Onderwerp:
Beantwoording van de schriftelijke vragen van het raadslid drs. M. Živanović (Leefbaar Rotterdam) over bezuinigingen bij Bureaus Jeugdzorg.
Aan de Gemeenteraad.
Op 8 december 2011 stelde het raadslid drs. M. Živanović (Leefbaar Rotterdam) ons schriftelijke vragen over bezuinigingen bij Bureaus Jeugdzorg.
Inleidend wordt gesteld:
“Volgens het rapport van de Algemene Rekenkamer ‘Kosten van jeugdbescherming en jeugdreclassering’ krijgen kinderen niet de benodigde zorg omdat de Bureaus Jeugdzorg de behandeluren zouden schrappen. Kinderen krijgen hierdoor minder uren zorg dan waar zij recht op hebben. De uitvoeringsafspraken die het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Bureaus Jeugdzorg zijn overeengekomen, worden niet nageleefd. Zo zou er meer personeel ingezet moeten worden bij de uitvoering van de maatregelen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. Ook blijken zowel de provincies als de Bureaus Jeugdzorg niet goed op de hoogte van de uitvoeringsuitspraken.
In 2010 kwamen 55.000 kinderen in aanmerking voor de gedwongen jeugdzorg. Volgens de bureaus zijn de bezuinigingen noodzakelijk omdat zij 20 tot 40 miljoen euro te weinig zouden krijgen voor de gedwongen jeugdzorg. In 2010 hadden de bureaus te kampen met een tekort van 2,5 miljoen euro.
Volgens de Algemene Rekenkamer is onduidelijk wat er uitgegeven wordt per maatregel waardoor niet goed vast is te stellen of zij geld tekort komen voor de gedwongen jeugdzorg. In 2013 wordt de administratie zo ingericht dat wel te zien is wat er per maatregel wordt uitgegeven.”
Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:
Voorafgaand aan de beantwoording van de vragen willen wij erop wijzen dat de vragen betrekking hebben op de activiteiten van en afspraken met Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (BJZ-SR). Het bestuur van de stadsregio Rotterdam is hiervoor verantwoordelijk. In zijn rol als portefeuillehouder Jeugdzorg van de stadsregio heeft wethouder Onderwijs, Jeugd en Gezin hierin een specifieke verantwoordelijkheid. De directie van GGD Rotterdam-Rijnmond ziet toe op de uitvoering van de prestaties van BJZ-SR in het kader van de subsidiebeschikking die de GGD jaarlijks afgeeft namens het bestuur van de stadsregio Rotterdam.
Met de decentralisatie van de jeugdzorg die voorzien is voor 2015 zal de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg in handen van de gemeenten komen.
Vooralsnog is de jeugdzorg dus nog volledig een stadsregionale aangelegenheid en heeft ons college als bestuursorgaan geen verantwoordelijkheden en bevoegdheden op dit gebied. De antwoorden op de vragen dienen in dit licht gezien te worden.
Verder willen wij voor alle duidelijkheid nog aangeven dat de term ‘uitvoeringsafspraken’ in het rapport van de Algemene Rekenkamer slaat op de hoogte van normprijzen die landelijk zijn vastgesteld (door het Ministerie van Veiligheid en Justitie) en die zijn gebaseerd op een bepaald kwaliteitsniveau bij de uitvoering van taken op het gebied van jeugdbeleid en jeugdreclassering.
Vraag 1:
Welke uitvoeringsafspraken zijn door Bureau Jeugdzorg in Rotterdam nagekomen en welke afspraken niet?
Antwoord:
De landelijke afspraken van 2007, waar het rapport van de Algemene Rekenkamer aan refereert, komen neer op een gemiddelde caseload van één jeugdbeschermer per 15 kinderen, ervan uitgaande dat een OTS (ondertoezichtstelling) gemiddeld drie jaar duurt. Deze norm hangt samen met de landelijk ingevoerde ‘Delta methode’ voor uitvoering van OTS. Deze norm wordt momenteel door BJZ-SR gehanteerd voor ca. 94% van de kinderen waarvoor een OTS is ingesteld.
Ook zijn in 2007 normen afgesproken voor de gemiddelde span of control (ten behoeve van zowel OTS’en als voogdijmaatregelen) van bepaalde ondersteuningsfuncties. Daarmee zit BJZ-SR in vergelijking met andere BJZ’s ongeveer 20% onder het landelijk gemiddelde, zoals blijkt uit een benchmark van bureau Berenschot op basis van een vergelijking van de jaarverslagen 2010 met betrekking tot de formatie voor overhead.
Vraag 2:
Is Bureau Jeugdzorg in Rotterdam goed op de hoogte van de uitvoeringsafspraken en op welke wijze wordt hierop gecontroleerd?
Antwoord:
BJZ-SR is goed op de hoogte van de uitvoeringsafspraken. De norm voor de gemiddelde caseload en de wachtlijsten zijn continu onderwerp van gesprek in bestuurlijke en ambtelijke overleggen tussen BJZ-SR en de stadsregio Rotterdam. In gezamenlijkheid worden maatregelen afgesproken en oplossingen gezocht waarbij de veiligheid van de kinderen altijd het belangrijkste uitgangspunt is.
Vraag 3:
Hoe hoog is het tekort waarmee Bureau Jeugdzorg in Rotterdam te kampen heeft?
Antwoord:
Het tekort van BJZ-SR op de tarieven voor jeugdbescherming is de afgelopen jaren ongeveer één miljoen Euro geweest. Dit is gepaard gegaan met een continue lobby richting het Rijk voor extra middelen, waarbij veel samen is opgetrokken met de stadsregio Amsterdam. Deze lobby heeft inmiddels geleid tot een landelijke tariefsverhoging en (o.a. voor onze regio) tot de toekenning van incidentele middelen gelet op de bovenmaatse problematiek in onze regio. Hierbij gaat het Ministerie van Veiligheid en Justitie er overigens wel van uit dat op den duur sprake is van kortere ondertoezichtstellingen en een verminderd beroep op dure jeugdzorg.
Om te voorkomen dat de tekortsituatie zou leiden tot onaanvaardbare situaties, heeft het afgelopen jaar de stadsregio Rotterdam vanuit haar reserves bijna een half miljoen extra aan BJZ-SR ter beschikking gesteld.
Vraag 4:
Op welke wijze wordt het tekort door Bureau Jeugdzorg in Rotterdam opgevangen en wat vindt u hiervan?
Antwoord:
Als gezegd, in 2011 is de inzet van de stadsregio Rotterdam gericht geweest op een lobby voor hogere tarieven voor jeugdbescherming en jeugdreclassering en de financiering van noodzakelijke maatregelen waarvoor tijdelijk niet voldoende middelen beschikbaar waren.
Alles is op alles gezet om de wachtlijsten terug te dringen en de risico’s beheersbaar te houden. Daarbij staan voortdurend de kwaliteit van het werk en de veiligheid voor het kind centraal.
In dat kader heeft BJZ-SR besloten om langer lopende en minder acute zaken onder te brengen bij een beheerteam. Dit beheerteam werkt met een veel hogere caseload (circa 1: 35) en houdt bij de gezinnen de vinger aan de pols om escalaties en ongelukken te voorkomen. Het betreft ongeveer 6% van de kinderen die onder toezicht staan in onze regio. In een brief van de portefeuillehouder stadsregio Rotterdam en de directeur BJZ-SR aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie eerder dit jaar, hebben zij aangegeven het inzetten van een beheerteam ongewenst te vinden (maar helaas noodzakelijk).
Overige actuele maatregelen bij het terugdringen van het tekort zijn onder andere:
- doorvoeren organisatorische aanpassingen om de administratieve belasting terug te dringen en het werkproces te optimaliseren;
- vereenvoudiging van zorg- en onderzoekstrajecten in overleg met samenwerkingspartners;
- inzet tijdelijke capaciteit (10 medewerkers) vanuit de jeugdzorginstellingen bij BJZ-SR.
Vraag 5:
Heeft Bureau Jeugdzorg in Rotterdam het aantal behandeluren beperkt om haar begroting sluitend te krijgen? Zo ja, was u hiervan eerder op de hoogte?
Antwoord:
Dit vraagt om een verduidelijking van de term ‘behandeluren’. De norm (die in het rapport van de Algemene Rekenkamer genoemd wordt) gaat uit van caseload, zijnde het ‘gemiddelde aantal uren per type maatregel’. Omdat dit een gemiddelde is, is het moeilijk om aan te geven in welke gevallen een kritische grens wordt bereikt. Gesteld kan worden dat BJZ-SR met de inzet van een beheerteam de caseload heeft verlicht. Dit was bekend was bij de stadsregio zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4.
Vraag 6:
Hoeveel kinderen in Rotterdam komen in aanmerking voor gedwongen jeugdzorg en hoeveel kinderen hebben niet de zorg gekregen waar zij wel recht op hadden?
Antwoord:
Vooropgesteld: het voert te ver om te spreken van situaties waarbij kinderen zorg is onthouden waarop ‘zij recht hadden’. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Gemiddeld is BJZ-SR in de stadsregio Rotterdam verantwoordelijk voor ongeveer 2900 OTS en Voogdijzaken. Ieder jaar stromen er ongeveer 850 nieuwe zaken in. Voor elke zaak geldt dat deze wordt gescreend en geprioriteerd op veiligheidsrisico. Bij acute situaties wordt altijd meteen ingegrepen. De overige zaken worden steeds zo snel mogelijk aan een gezinsvoogd toegewezen aan de hand van de bepaalde urgentie en de ruimte die er is. Niettemin was begin januari nog wel sprake van een wachtlijst van 170 zaken, hetgeen de stadsregio onacceptabel acht. Met BJZ-SR is dan ook de afspraak gemaakt om deze zo snel mogelijk terug te brengen naar nul. Het perspectief op een snelle verbetering is nu ook meer reëel, gelet op het feit dat het Rijk met extra middelen over de brug is gekomen (zie ook ons antwoord op vraag 7).
Van deze ruim 2900 zaken worden er momenteel ongeveer 150 begeleid door het beheerteam. Deze zaken zijn al enige tijd conform de Delta methode door een gezinsvoogd begeleid en hierbij is al zorg ingezet. Het betreft hier bijvoorbeeld kinderen die voor langere periode geplaatst zijn in een voorziening.
Kortom: van de ruim 2900 zaken die onder verantwoordelijkheid van BJZ-SR vallen, start de noodzakelijke intensieve begeleiding (Delta) van 170 kinderen later dan gewenst, en is de voortzetting van de hulp voor 150 kinderen minder intensief dan gewenst.
Vervolgens stelt het raadslid:
“Staatssecretaris Fred Teeven van Veiligheid en Justitie heeft laten weten dat hij de bijdrage zal verhogen indien de Bureaus Jeugdzorg de aanbevelingen van de Rekenkamer opvolgen.”
Vraag 7:
Verwacht u dat een verhoging van de bijdrage leidt tot een sluitende begroting? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Op basis van de eind vorig jaar door staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de heer Teeven afgekondigde landelijke tariefsverhoging voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering is de verwachting dat dit voor 2012 leidt tot een sluitende begroting.
De vraag is wel hoe de instroom van zaken zich structureel verder ontwikkelt in onze regio. In onze regio is veel energie gestoken in het bekend maken en implementeren van de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en is ook fors ingezet op de uitvoering van de Wet tijdelijk huisverbod. Dat sluit aan bij een belangrijke maatschappelijke ontwikkeling die beleidsmatig wordt ondersteund: kindermishandeling wordt niet meer geaccepteerd en men krijgt steeds meer oog voor veiligheidsrisico’s, de meldingsbereidheid wordt steeds groter. Hierdoor komen steeds meer gezinnen met ernstige problemen in beeld, en zien we een substantiële toename van de meldingen voor AMK onderzoek. Uiteindelijk kan dit ook leiden tot een extra instroom bij de jeugdbescherming.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De secretaris,
G.B. Raaphorst,
l.s. De burgemeester,
A. Aboutaleb