Het laatste van Schriftelijke Vragen

mei 10, 2012
Dierenopvangcentra Rijnmond (n.n.b)

mei 04, 2012
Criminelen op billboards (n.n.b)

mei 02, 2012
Vrijmarkt Coolsingel (n.n.b)

mei 01, 2012
Politiezorg Rozenburg (n.n.b)

april 25, 2012
Bedrijfsreinigingsrecht (n.n.b)

april 24, 2012
Subsidie Megastad FM

april 18, 2012
Naheffing belastingen (n.n.b)

april 18, 2012
Opvanghuis Nora Storm (n.n.b)

april 17, 2012
Hennepplantage in pand WOM (n.n.b)

maart 27, 2012
Rappende homohater (n.n.b)

maart 26, 2012
Vervallen volkstuincomplex Bosdreef (n.n.b)

maart 23, 2012
Wooncarričre Woonbron (n.n.b)


Bevolkingspolitiek (2)

Aan de Gemeenteraad.

Op 7 juli 2006 ontvingen wij van het lid van uw raad de heer B. Madlener (Leefbaar Rotterdam) schriftelijke vragen over de huidige en toekomstige bevolkingssamenstelling van Rotterdam.

Inleidend stelt de heer Madlener het volgende:
“Onlangs is de COS bevolkingsmonitor verschenen voor het eerste kwartaal van 2006. Deze monitor toont aan dat er nog steeds een daling zit in het percentage autochtonen in de stad en tevens nog steeds een stijgende lijn zit in het aantal (met name niet westerse) allochtonen (2004: 218.744, 2006:221.341). De bevolkingssamenstelling van Rotterdam komt zo steeds verder af te liggen van het landelijk gemiddelde. Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende vragen.”

Hieronder volgen zijn vragen en onze antwoorden.

Vraag 1:
Hoe kijkt het nieuwe college aan tegen de tendens dat het percentage autochtonen ten opzichte van niet-westerse allochtonen, en daarmee ook grosso modo van kansrijken en zogenaamde kansarmen steeds verder vermindert?

Antwoord:
De afgelopen jaren is het percentage niet-westerse allochtonen slechts weinig toegenomen.
Vermoedelijk speelt het strengere toelatingsbeleid van het Rijk op grond van de nieuwe Vreemdelingenwet hier een belangrijke rol. Daarnaast speelt in Rotterdam ook een lagere vestiging vanuit het binnenland een rol. Voor een deel gaat het daarbij ook om niet-westerse allochtonen.
Zoals reeds verwoord in het door het vorige college opgestelde stuk Rotterdam zet door is het van belang ‘kleur’ niet gelijk te stellen met ‘kansarm’.

Vraag 2:
Vindt het college dit een gewenste ontwikkeling. Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet en welke maatregelen wenst het college te nemen om deze tendens te stoppen?

Antwoord:
Wij vinden het ongewenst als het middenkader uit de stad wegtrekt. Dit betreft nog steeds vaak de allochtone en autochtone middenklasse. Mede vanwege het ambitieuze woningbouwprogramma zullen er minder mensen (o.a. met een ‘koopwens’) naar de regio verhuizen.

Vraag 3:
Wijken deze tussenresultaten uit de bevolkingsmonitor af van de bevolkingsprognose 2017 of komen ze overeen? Indien er verschil is, hoe beoordeelt u dat?

Antwoord:
Ja, deze tussenresultaten wijken af van de cijfers in de Bevolkingsprognose 2017. Dit is overigens niet ongebruikelijk en ook de reden waarom met enige regelmaat nieuwe prognoses worden opgesteld. Inmiddels is dan ook de Trendprognose Rotterdam 2020 uitgebracht (zie bijlage). De tussenresultaten uit de bevolkingsmonitor stemmen wel meer overeen met de cijfers in de trendprognose. Er is in de tussenresultaten op dit moment sprake van bijna 16.000 meer autochtonen dan in 2003 verwacht werd voor 2006. Dit hangt mede samen met een definitiewijziging in 2004/2005 voor wat betreft de groep ‘allochtonen uit overige rijke landen’. Een deel van deze groep wordt nu om verschillende redenen tot de groep autochtonen gerekend.

Vraag 4:
Hoe kan het dat in Rotterdam het percentage niet-westerse allochtonen nog steeds sterker stijgt dan het landelijke gemiddelde?

Antwoord:

Het sneller stijgen van de groep niet-westerse allochtonen in Rotterdam is geen exclusief Rotterdams verschijnsel. De (snellere) stijging hangt ondermeer samen met het aantal geboorten binnen deze groep. Het aantal geboorten per vrouw neemt overigens ook voor de allochtonen al jarenlang af.
Ook blijkt uit cijfers van het Ministerie van Justitie dat de groep niet-westerse allochtonen zich met name in de grotere gemeenten (100.000+) vestigen. Dat zorgt ervoor dat de stijging bij de grotere gemeenten (waaronder Rotterdam) afwijkt van het landelijk gemiddelde.
NB. De stijging van de groep niet-westerse allochtonen in Rotterdam bedroeg tussen 2001 en 2006 4,26%. Landelijk was dit cijfer 1,27%.

Vraag 5:
Wanneer verwacht u dat de bevolkingspolitiek die door het vorige college is ingezet, welke moet leiden tot een evenwichtigere verdeling van kansarme instromers in de stad en in het land, en door u wordt gesteund, resultaten zal afwerpen?

Antwoord:
De bevolkingssamenstelling hangt in hoge mate samen met de samenstelling van de woningvoorraad. De samenstelling van de Rotterdamse woningvoorraad is aan het veranderen. Dat komt o.a. doordat de herstructurering van verschillende woonwijken in uitvoering is gekomen en door het nieuwbouwprogramma, waarbinnen voornamelijk middeldure en duurdere koopwoningen worden gebouwd. Dit beleid is al in de tweede helft van de jaren ‘90 ingezet en zal nog een flink aantal jaren moeten worden volgehouden. Het is een proces van lange adem. De partijen hebben in het coalitieakkoord aangegeven, dat zij hiermee met verstand willen doorgaan.

Voor de komende periode vinden wij het vooral ongewenst dat de (autochtone en allochtone) middenklasse nog steeds uit de stad wegtrekt. Het zal er vooral om gaan deze beweging te doorbreken.

Nu er steeds meer middeldure en duurdere koopwoningen in de nieuwbouw worden opgeleverd en de verkoop van sociale huurwoningen op gang is gekomen, mag worden verwacht dat er de komende tijd minder mensen met een ‘koopwens’ naar de regio zullen verhuizen.

Van 1 oktober 2004 tot 1 juli 2006 is op de zogenaamde ‘hotspots’ en in de wijk Carnisse het experiment met de huisvestingsvergunning (de zogenaamde ‘120% eis’) uitgevoerd. In deze periode was de huisvestingsvergunning voor alle vestigers in deze wijken aan de orde.
Uit de evaluatie bleek dat de aanvragers voor meer dan 80% reeds in Rotterdam woonachtig waren en wilden verhuizen.
Sinds 1 juli jl. is op de hotspots en in vier wijken op Zuid de Rotterdamwet (de zogenaamde eis van ‘inkomen uit werk’) ingevoerd. De nieuwe regeling geldt voor burgers die vanuit een andere gemeente naar Rotterdam komen. Op deze manier wordt een drempel gelegd voor niet-Rotterdammers om zich hier te vestigen als ze niet aan de eis “inkomen uit werk” voldoen.
Verder bestaat het lokaal maatwerk in de woonruimteverdeling van de woningcorporaties al langer.
Over de resultaten van deze specifieke maatregelen merken wij op, dat het hierbij in alle gevallen om maatregelen gaat die de cumulatie van problemen in bepaalde wijken, buurten of complexen in de stad moeten tegengaan.

Vraag 6:
In de bevolkingsmonitor zijn de gegevens van autochtonen en niet-westerse allochtonen niet opgesplitst per deelgemeente. Als u die cijfers analyseert, (svp meeleveren bij het antwoord op deze vraag), is er dan sprake van gelijkmatigere spreiding van de verschillende bevolkingsgroepen over de verschillende deelgemeente of van concentratie? Kunt u die cijfers ook fijnmaziger weergeven, bijvoorbeeld per CBS-Wijk? Indien er concentratie (en daarmee segregatie) in plaats van spreiding op deelgemeente resp. wijkniveau plaatsvindt, wat wilt u daaraan gaan doen?

Antwoord:
De groei van de allochtone bevolking valt niet samen met een sterkere concentratie. Integendeel, zij wonen steeds meer verspreid over geheel Rotterdam. De meest actuele cijfers zijn te allen tijde op te vragen via de Rotterdamse Buurtmonitor. Zie de bijlage voor deze cijfers. De cijfers zijn ook op buurtniveau op te vragen via de website van het COS.

De grafiek in bijlage 2 geeft de verhuisindex voor verschillende groepen minderheden weer. De grafiek geeft aan welk deel van de bevolkingsgroep zou ‘moeten’ verhuizen om segregatie op te heffen. Hierin zien we dus een duidelijke afnemende segregatie.

Vraag 7:
Wilt u aan elke deelgemeente vragen hoe zij tegen deze ontwikkeling aankijken, welk beleid zij willen oppakken om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en ons te zijner tijd informeren over hun standpunt?

Antwoord:
Het bouwbeleid is een stedelijke kwestie en deelgemeenten voeren daarin geen zelfstandig beleid. Wij zien dan ook geen aanleiding om hierover met hen in gesprek te gaan.

Vraag 8:
Welke invloed heeft, volgens het college, de verdere toename van niet-westerse allochtonen op: de koopkracht, het opleidingsniveau, de huisvesting, de (des-) integratie van de samenleving, de werkloosheid en de criminaliteit in Rotterdam?

Antwoord:
Geen invloed als zodanig. Bij de gesignaleerde verschijnselen gaat het om andere kenmerken.

Vraag 9:
Bent u met ons van mening dat de voortgaande toestroom van niet-westerse allochtone medelanders, een oorzaak is of kan zijn voor de verdere uitstroom van autochtone en geďntegreerde Nederlanders? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Wij zijn die mening niet toegedaan.
Niet-westerse allochtonen zijn niet per definitie slecht geďntegreerd en een instroom van deze bevolkingsgroep leidt dus niet per definitie tot uitstroom van geďntegreerde allochtonen of van autochtonen. Zie verder ons antwoord op vraag 10.

Vraag 10:
Wat is volgens het college een mogelijke oorzaak van de verdere uitstroom van autochtonen en geďntegreerde allochtonen uit Rotterdam?

Antwoord:
Een flink deel van de uitstroom van kansrijke Rotterdammers (de allochtone en autochtone middenklasse) wordt gegenereerd door de woningmarkt die lange tijd te weinig ruimte bood aan kopers binnen het dure en middeldure segment.
Het vorig college heeft zich hard gemaakt om meer woningen binnen deze categorieën te realiseren. Ook wij zullen ons hard maken om Rotterdam een gevarieerd en aantrekkelijk woonmilieu te laten zijn.

Vraag 11:
Leefbaar Rotterdam is van mening dat het voor Rotterdam en Nederland een goede zaak zou zijn als er een evenwichtigere bevolkingsopbouw zou zijn wanneer het gaat om de etnische verhouding autochtonen vs. niet-westerse allochtonen in de grote steden. Deelt u deze mening en bent u bereid om hier een resultaatverplichting over aan te gaan, zowel op stedelijk, deelgemeente- en wijkniveau?

Antwoord:
Wij zijn van mening, dat een meer evenwichtige bevolkingsopbouw in sociaal-economische zin voor Rotterdam en Nederland een goede zaak zou zijn. Zoals in het voorafgaande reeds is aangegeven, zal het er de komende jaren vooral om gaan de uittocht van de allochtone en autochtone middenklasse uit de stad te stoppen. Wij zullen er alles aan doen om daaraan onze bijdrage te leveren.


Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,


De Secretaris, De Burgemeester,


A.H.P. van Gils I.W. Opstelten