Rotterdam, 2 augustus 2011.
Onderwerp:
Beantwoording schriftelijke vragen van het raadslid R. Buijt (Leefbaar Rotterdam) over het behoud van hoger opgeleiden voor Rotterdam.
Aan de Gemeenteraad.
Op 4 juli 2011 heeft het raadslid R. Buijt (Leefbaar Rotterdam) ons schriftelijke vragen gesteld over het behoud van hoger opgeleiden voor Rotterdam.
Inleidend wordt gesteld:
“Rotterdam voert al jaren beleid om hoger opgeleiden en bovenmodale inkomens te binden aan de stad. Om deze reden wordt er in de COS onderzoeken “Binding met Rotterdam” hoger opgeleiden gevraagd naar de redenen om voor Rotterdam te kiezen, of juist niet. Dit onderzoek wordt echter maar beperkt uitgevoerd; in 2009 alleen onder 137 afgestudeerde bestuurskundigen. Wij denken dat voor echt effectief beleid om hoger opgeleiden aan de stad te binden, maar ook om de stad voor iedereen aantrekkelijker te maken, beter aan alle vertrekkende Rotterdammers gevraagd kan worden naar hun motieven om zich elders te vestigen.”
Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:
Vraag1:
Op welke wijze controleert u of uw huidige inspanningen, waar het gaat om binden van hoger opgeleiden en mensen met een bovenmodaal inkomen, het gewenste resultaat leveren?
Antwoord:
De vestigings- en vertrekmotieven van (voormalige) Rotterdammers worden periodiek door het Centrum voor Onderzoek en Statistiek op basis van een representatieve steekproef in kaart gebracht in het onderzoek ‘Komen en Gaan’. Het demografisch en sociaal-economisch profiel (inclusief inkomensniveau en opleidingsniveau) maakt expliciet deel uit van de onderzoeksthema’s. De laatste editie is in februari 2010 gepubliceerd, en maakt gebruik van gegevens uit 2009. Begin 2012 komt de nieuwe editie beschikbaar.
Daarnaast volgen de HBO en WO-monitor de arbeidsmarkt- en woningmarktmobiliteit van recent afgestudeerden. De HBO monitor verschijnt jaarlijks, de WO-monitor tweejaarlijks. Beide monitoren betreffen ook representatieve steekproeven. Deze monitoren bevatten data specifiek voor Rotterdam. Deze data worden onder andere gebruikt om de voortgang met betrekking tot Target 4 uit het College Werkprogramma te meten. Daarnaast worden voor Rotterdam relevante gegevens in de Werkgelegenheidsmonitor en de Economische Verkenning opgenomen.
Vraag 2:
Welke mogelijkheden of beperkingen ziet u om naar buiten de gemeente verhuizende Rotterdammers, middels een soort van ‘exit poll’ te vragen naar hun verhuisredenen?
Antwoord:
Deze mogelijkheden zijn er en worden zoals onder vraag 1 vermeld in het kader van het COS onderzoek ‘Komen en Gaan’ ook uitgevoerd.
Vraag 3:
Bent u met ons van mening dat een dergelijke inventarisatie van verhuisredenen een nuttig instrument kan zijn om verhuisredenen te inventariseren? En zo ja, op welke termijn kunt u aan alle verhuizende Rotterdammers een vrijwillig in te vullen vragenlijst voorleggen?
Antwoord:
Een dergelijke inventarisatie is inderdaad een nuttig instrument om de verhuisredenen te inventariseren. Een vrijwillig in te vullen vragenlijst voor alle Rotterdammers brengt echter bovenproportionele kosten met zich mee. Om die reden kiezen we voor een uitgebreide en representatieve steekproef.
Vraag 4:
Ziet u aanvullend nog mogelijkheden om met terugwerkende kracht vanaf bijv. 2007 de reden van vertrek te vragen aan voormalig Rotterdammers?
Antwoord:
In de voorgaande editie van ‘Komen en Gaan’ is gebruik gemaakt van data uit 2006. Deze editie is in 2008 gepubliceerd en via het COS verkrijgbaar.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De secretaris,
A.H.P. van Gils
De burgemeester,
A. Aboutaleb