Het laatste van Schriftelijke Vragen

mei 10, 2012
Dierenopvangcentra Rijnmond (n.n.b)

mei 04, 2012
Criminelen op billboards (n.n.b)

mei 02, 2012
Vrijmarkt Coolsingel (n.n.b)

mei 01, 2012
Politiezorg Rozenburg (n.n.b)

april 25, 2012
Bedrijfsreinigingsrecht (n.n.b)

april 24, 2012
Subsidie Megastad FM

april 18, 2012
Naheffing belastingen (n.n.b)

april 18, 2012
Opvanghuis Nora Storm (n.n.b)

april 17, 2012
Hennepplantage in pand WOM (n.n.b)

maart 27, 2012
Rappende homohater (n.n.b)

maart 26, 2012
Vervallen volkstuincomplex Bosdreef (n.n.b)

maart 23, 2012
Wooncarrière Woonbron (n.n.b)


achterblijven van de regionale woningbouwproductie

Op 20 april 2007 stelde het raadslid H.M. Sonneveld (Leefbaar Rotterdam) schriftelijke vragen aan ons College inzake het achterblijven van de regionale woningbouwproductie. Hij leidde de vragen als volgt in:

“Regionale spreiding van nieuwbouwwoningen is belangrijk voor de leefbaarheid in de regio Rotterdam. Duurdere woningen in de stedelijke gebieden en goedkopere woningen in de landelijke gebieden zijn de belangrijkste middelen om arm en rijk beter te spreiden. In de nota ‘ieder zijn deel’ van de stadsregio is dit uitgewerkt en hard bevochten door het vorige regiobestuur en het vorige college van Rotterdam. De laatste tijd komen er geluiden naar buiten dat de in de Stadsregio afgesproken bouwproductie voor woningbouw in zijn algemeenheid en sociale woningbouw in het bijzonder, niet gehaald gaan worden. Dit bevreemdt ons, omdat het vorige college, in overleg met het rijk, reële doelen heeft gesteld ten aanzien van de bouwproductie en er door de stadsregio afrekenbare afspraken zijn gemaakt met de regiogemeenten. In Rotterdam zelf blijven de corporaties achter met hun nieuwbouw en wordt de productiedoelstelling vooral gehaald omdat marktpartijen meer zijn gaan bouwen. Als de achterstandsproblemen rond de bouwproductie niet worden opgelost, dreigt een boete voor de Stadsregio en als er niets gebeurt zal de gemeente Rotterdam ook mee moeten betalen.

Leefbaar Rotterdam wil het college hier de volgende vragen over stellen:”

Vraag 1:
In hoeverre kloppen bovengenoemde signalen?

Antwoord:
Tijdens de recente vergaderingen van de regiocommissie Wonen (d.d. 7 februari en 28 maart) is informatie verstrekt over de voortgang van de regionale woningbouwproductie, voor de stadsregio als geheel, per categorie gemeenten (1. grootstedelijk, 2. groeistedelijk en 3. kleinstedelijk) en per gemeente. Tevens is een prognose bekend gemaakt waaruit blijkt dat het tijdig realiseren van de regionale taakstelling van 38.000 woningen vóór 1 januari 2010 nog een stevige tempoversnelling vergt van diverse gemeenten. Gegevens inzake het planaanbod ‘sociaal bereikbare huurwoningen’ in de niet-grootstedelijke gemeenten duiden op onvoldoende plannen en op een geplande piekproductie in de jaren 2008 en, met name, 2009. Voor deze verontrustende ontwikkelingen heeft de portefeuillehouder Wonen van de stadsregio Rotterdam terecht aandacht en verhoogde alertheid gevraagd van de verantwoordelijke wethouders van de regiogemeenten. De beschreven signalen kloppen in die zin dat er extra inspanningen nodig zijn teneinde de afgesproken aantallen woningen alsnog tijdig te kunnen doen opleveren.

Vraag 2:
Op welke wijze is het college van plan dit probleem met de Stadsregio op te gaan pakken?

Antwoord:
De eerstverantwoordelijke partij is de stadsregio Rotterdam die, gelukkig, niet herinnerd hoeft te worden aan het belang van het nakomen van de bilaterale convenanten ‘Woningbouw’ tussen de stadsregio en achttien (inmiddels zestien) afzonderlijke gemeenten. De stadsregio heeft al een ‘taskforce woningbouw’ ingesteld waaraan rijk en provincie deelnemen. Tevens is de portefeuillehouder Wonen van de stadsregio reeds begonnen met een reeks indringende gesprekken met de wethouders die verantwoordelijk zijn voor de woningbouw. En gedurende de vergadering van de regiocommissie Wonen van 28 maart is aan de leden/gemeenten van de commissie stuk voor stuk gevraagd inzicht te verstrekken in de lokale voortgang. Vanzelfsprekend is er regelmatig, bestuurlijk en ambtelijk, contact tussen Rotterdam en de stadsregio, ook over het achterblijven van de regionale woningbouwproductie, en wordt niet nagelaten Rotterdamse expertise onder de aandacht van de stadsregio (en van de andere regiogemeenten) te brengen. Ons college is evenwel in eerste instantie verantwoordelijk voor de lokale woningbouwproductie en niet voor die van de andere gemeenten in de regio; het is aan de stadsregio om daarop de regiogemeenten aan te spreken. Daarbij mag de stadsregio zich openlijk gesteund weten door ons college.

Vraag 3:
Hoe gaat het college ervoor zorgen dat in onze regio voldoende sociale huurwoningen worden gebouwd, zoals door het vorige college met de regiogemeenten is overeengekomen, ten einde spreiding van arm en rijk evenwichtiger te maken?

Antwoord:
Geïnspireerd door een regionale discussienotitie (“Elk Zijn Deel”) is, na een stevige uitwisseling van meningen waarbij Rotterdam zich uiteraard niet onbetuigd heeft gelaten, op 23 juni 2004 een beleidskader voor stedelijke vernieuwing door de stadsregio vastgesteld (“Vernieuwen en Delen”). In dat beleidskader zijn de uitgangspunten voor de woningbouwafspraken geformuleerd, als inzet voor de onderhandelingen tussen (de portefeuillehouder Wonen van) de stadsregio en de achttien regiogemeenten. De optelsom van de bilaterale woningbouwafspraken is op 9 februari 2005 door de regioraad vastgesteld in het regionaal woningbouwscenario 2005-2010 met bijbehorend financieel scenario. De uitvoering van dit woningbouwscenario is één van de voorwaarden die aan de Rotterdamse bijdrage van € 10 miljoen aan het ISV-budget van de stadsregio is verbonden. Ons college volgt nauwlettend de inspanningen van de stadsregio om de woningbouwproductie overeenkomstig de gemaakte afspraken te verwezenlijken, zodat met behulp van de inzet van deze € 10 miljoen de regionale woningmarkt beter in balans komt, en zal niet nalaten de stadsregio en de andere regiogemeenten te houden aan de gemaakte af spraken, ook na 1 januari 2010.

Ter inleiding van enkele vervolgvragen vermeldt het raadslid: “De corporaties in de regio, vertegenwoordigd in de Maaskoepel, hebben zich ook aan ieder zijn deel gecommitteerd en bezworen dat geld geen probleem is.”

Vraag 4:
In hoeverre komen corporaties hun beloftes na om goedkope huurwoningen in de regio te realiseren?

Antwoord:
In de jaren 2005 en 2006 zijn in totaal 1.507 sociaal bereikbare huurwoningen opgeleverd (grootstedelijk: 949 woningen; groeistedelijk: 166 woningen; kleinstedelijk: 392 woningen). Uit de inventarisatieronde van de stadsregio eind 2006 is gebleken dat het gezamenlijke planaanbod van sociaal bereikbare huurwoningen in de regiogemeenten van categorie 2 (Capelle a/d IJssel, Hellevoetsluis, Ridderkerk, Rozenburg en Spijkenisse) iets meer dan driehonderd woningen tekort schiet ten opzichte van de sociale taakstelling (= 1.542 sociaal bereikbare huurwoningen); voor de kleinstedelijke regiogemeenten (categorie 3) geldt een tekort van nog geen honderd sociaal bereikbare huurwoningen in het planaanbod (ten opzichte van de sociale taakstelling van 2.806 sociaal bereikbare huurwoningen). De portefeuillehouder Wonen van de stadsregio heeft met name voor dit segment van het planaanbod nog een extra inspanning verlangd, van gemeenten èn corporaties. Navraag bij stadsregio en Maaskoepel leidt tot de voorlopige conclusie dat de corporaties vooral problemen ondervinden met de geplande productie als gevolg van a. tegenvallende aanbestedingen, b. een aarzelende afzet van koopwoningen waardoor combinatieprojecten van koop- en sociaal bereikbare huurwoningen later starten en c. langlopende RO-procedures. Er is vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat de corporaties hun beloftes niet of onvoldoende nakomen. Extra inspanningen zijn wel noodzakelijk, van stadsregio, Maaskoepel, corporaties en gemeenten, om de afgesproken taakstellingen ‘sociaal bereikbare huurwoningen’ alsnog tijdig te kunnen realiseren.

Vraag 5:
Hoe kunt u als gemeente Rotterdam de regiogemeenten helpen hun bouwplanning wel te halen?

Antwoord:
Indien de eerdergenoemde redenen voor het achterblijven van de woningbouwproductie aan de orde zijn, kan de gemeente Rotterdam niet veel anders doen dan het goede voorbeeld geven en daarbij succesvolle methoden ter bevordering van de Rotterdamse bouwproductie onder de aandacht brengen van stadsregio en andere regiogemeenten. Zo mag het inzetten door Rotterdam van een speciale bouwcoördinator inmiddels bekend worden verondersteld. Tevens is de stadsregio Rotterdamse deskundigheid aangeboden. Het is en blijft evenwel de verantwoordelijkheid van de regiogemeenten zelf om methoden te ontwikkelen en/of toe te passen om de bouwplanning te halen.
Naast het geven van het goede voorbeeld en het aanbieden van deskundige hulp steunt ons college de portefeuillehouder Wonen van de stadsregio in zijn aansporingen tot grotere prestaties. Ambtelijk wordt in het kader van de herijking van de woningbouwafspraken door Rotterdam deelgenomen aan het projectteam Herijking; in dat verband worden ideeën ontwikkeld om de woningbouwproductie verder te stimuleren. Navraag bij de stadsregio heeft opgeleverd dat rond de zomer de eerste resultaten van deze herijkingsoperatie bekend zullen worden gemaakt.

Vraag 6:
Komt de bouwproductie in Rotterdam zelf ook in gevaar of speelt dit probleem bij ons niet en gaat dit, voor zover u nu kunt zien, ook niet spelen?

Antwoord:
Ten aanzien van de, tussen Rotterdam en de stadsregio overeengekomen productietaakstelling van 15.400 woningen (waarvan maximaal 3.080 sociaal bereikbare huurwoningen) geldt dat er vooralsnog geen aanleiding is om te veronderstellen dat deze taakstelling niet gehaald zal worden. De inspanningsverplichting om tot 1 januari 2007 6.000 woningen op te leveren is door Rotterdam gerealiseerd en zowel planaanbod als productietempo geven zicht op een overschrijding van deze taakstelling. Ons college zal erop toezien dat deze hoopvolle prognose geen excuus wordt om lokaal of regionaal de aandacht voor de woningbouwproductie te laten verslappen.

Vraag 7:
Wat is de financiële consequentie voor de Stadsregio en de gemeente Rotterdam als de afgesproken bouwproductie in de regio niet wordt gehaald?

Antwoord:
Indien niet de formele regionale taakstelling van 36.450 woningen (= exclusief 1.550 woningen op de Kop van Zuid) vóór 1 januari 2010 wordt gereed gemeld maar een aantal tussen 30.730 en 33.590 woningen (opnieuw exclusief de Kop van Zuid), dan loopt de stadsregio het risico dat de rijksoverheid besluit tot het niet toekennen van het volledige budget BLS-middelen (middelen conform Besluit Locatiegebonden Subsidies). De stadsregio wordt in dat geval in de gelegenheid gesteld een acceptabele verklaring te geven voor het niet tijdig (maar wel alsnog in 2010) realiseren van de overeengekomen taakstelling; langs die weg kan een ‘korting’ worden voorkomen.
Indien op 1 januari 2010 30.730 woningen of minder zijn gereed gemeld, dan wordt er aan de stadsregio geen BLS-budget meer uitgekeerd voor woningen die na 1 januari 2010 worden opgeleverd.
In d e bilaterale convenanten is vastgelegd dat de stadsregio, ter doorberekening van een eventuele korting door de rijksoverheid, een regiogemeente per niet tijdig opgeleverde woning een heffing van € 2.000,-- kan opleggen, indien slechts 92,5% of minder van d e afgesproken lokale taakstelling is gerealiseerd. Gezien het antwoord op vraag 6 gaat ons college er niet vanuit dat er aanleiding is om een eventuele ‘korting’ op de BLS-middelen aan Rotterdam door te berekenen.

Zie tevens de beantwoording bij vraag 8.

Vraag 8:
Hoe gaat uw college er voor zorgen dat de Stadsregio gebruik gaat maken van de boeteclausule voor regiogemeenten die hun afspraken omtrent de eigen bouwproductie niet nakomen?

Antwoord:
Naast de doorberekening van een eventuele ‘korting’ op de BLS-middelen is in de convenanten de mogelijkheid van het terugvorderen van subsidies opgenomen in het geval een regiogemeente in ernstige mate afwijkt van de overeengekomen taakstelling ‘sociaal bereikbare huurwoningen’. Deze zogenaamde boeteclausule dient in 2007, maar uiterlijk in 2010, te worden geformuleerd en voorgelegd aan de regioraad. Door middel van de ambtelijke deelname aan het projectteam Herijking is namens ons college aangedrongen op een tijdige afronding (dus in 2007) van een dergelijke regeling, en wordt over de principes en de uitvoeringsaspecten ervan meegedacht. Ons college kiest daarbij voor het principe “afspraak is afspraak” en wil daarmee voorkomen dat de ‘boete’ als een afkoop van afgesproken verplichtingen wordt beschouwd. Voorop staat dat van een boeteregeling een stimulerende werking moet uitgaan op de sociale bouwproductie, teneinde de regionale woningmarkt meer in balans te brengen.
Indien nodig zal ook de mogelijkheid van flankerend beleid onder de aandacht van stadsregio en andere regiogemeenten worden gebracht. Dit kan betekenen dat, met een beroep op de taakstelling ‘sociale voorraad’ en de doorvertaling ervan door groei- en kleinstedelijke gemeenten naar prestatieafspraken met corporaties, voldoende goedkope corporatiewoningen beschikbaar blijven (bijvoorbeeld door uitstel sloop of huurmatiging) voor de doelgroep, o.a. afkomstig uit het grootstedelijk gebied. Zonder de druk te verminderen om een effectieve boeteregeling te ontwikkelen en, indien nodig, toe te passen, kan het doel van het regionale woningbouwscenario, om meer evenwicht te scheppen op de regionale woningmarkt, immers ook naderbij worden gebracht door middel van flankerend beleid, totdat de overeengekomen taakstelling ‘sociaal bereikbare huurwoningen’ in alle regiogemeenten is gerealiseerd.

Zoals al eerder opgemerkt zijn aan het bes chikbaar stellen van € 10 miljoen ISV-budget aan de stadsregio door Rotterdam voorwaarden verbonden, zoals de realisatie van het regionale woningbouwscenario (vastgelegd in de RKHBS-tabel (Regionaal K oop-, Huur-, Bouw- en Sloop-scenario)). Ook in die zin h eeft de stadsregio er (financieel) belang bij om het nakomen van de woningbouwafspraken te stimuleren.
De gemeente Rotterdam zal zich overigens inzake de effectiviteit van de besteding van € 10 miljoen ISV-middelen tegenover de rijksoverheid achteraf moete n verantwoorden. Kortom: qua beleid èn qua financiële consequenties is er ons college veel aan gelegen om de (sociale) woningbouwproductie te doen realiseren overeenkomstig de gemaakte afspraken. De gemeentelijke inzet getuigt daarvan.


Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,


De secretaris, De burgemeester,

A.H.P. van Gils L.M.M. Bolsius, l.b.

Behandelend ambtenaar: M.L. de Bot