Het laatste van Schriftelijke Vragen

mei 10, 2012
Dierenopvangcentra Rijnmond (n.n.b)

mei 04, 2012
Criminelen op billboards (n.n.b)

mei 02, 2012
Vrijmarkt Coolsingel (n.n.b)

mei 01, 2012
Politiezorg Rozenburg (n.n.b)

april 25, 2012
Bedrijfsreinigingsrecht (n.n.b)

april 24, 2012
Subsidie Megastad FM

april 18, 2012
Naheffing belastingen (n.n.b)

april 18, 2012
Opvanghuis Nora Storm (n.n.b)

april 17, 2012
Hennepplantage in pand WOM (n.n.b)

maart 27, 2012
Rappende homohater (n.n.b)

maart 26, 2012
Vervallen volkstuincomplex Bosdreef (n.n.b)

maart 23, 2012
Wooncarrière Woonbron (n.n.b)


Aanpak kindermishandeling faalt

Rotterdam, 31 januari 2012.

Onderwerp:
Beantwoording van de schriftelijke vragen van het raadslid A.G. Fähmel-van der Werf (Leefbaar Rotterdam) over falen van de aanpak kindermishandeling.

Aan de Gemeenteraad.

Op 23 november 2011 stelde het raadslid A.G. Fähmel-van der Werf (Leefbaar Rotterdam) ons schriftelijke vragen over falen van de aanpak kindermishandeling.

Inleidend wordt gesteld:
“In de media zijn verontrustende berichten te lezen over de aanpak kindermishandeling die gefaald heeft. Inmiddels hebben wij begrepen dat de PvdA ook over dit onderwerp vragen heeft gesteld.

De maatregelen die de overheid de afgelopen jaren heeft genomen om kindermishandeling tegen te gaan hebben geen effect gehad. Onderzoek wijst uit dat er landelijk jaarlijks 118.000 gevallen van kindermishandeling worden gemeld.

Volgens de Kinderombudsman zijn er grote zorgen om ernstige gevallen waarbij leerkrachten stevig onderbouwde zorgen hebben. In elke klas zou één mishandeld kind zitten. Landelijk is bij ongeveer 80.000 mishandelde kinderen de schade in de ontwikkeling van de kinderen waarneembaar. Zo kunnen de kinderen leerstoornissen hebben of achterstanden in hun ontwikkeling die in verband lijken te staan met hun onveilige leefsituatie.”

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Is in Rotterdam door de gemeente hier ook onderzoek naar gedaan? Zo ja, wat is de uikomst en hoe wordt dit aangepakt? Zo nee, waarom niet en bent u bereid hier alsnog een onderzoek naar in te stellen?

Antwoord:
Voorafgaand aan de beantwoording van de vragen willen wij erop wijzen dat de vragen betrekking hebben op activiteiten van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (BJZ-SR) en wel het onderdeel AMK. Het bestuur van de stadsregio Rotterdam is hiervoor verantwoordelijk. In zijn rol als portefeuillehouder Jeugdzorg van de stadsregio heeft wethouder Onderwijs, Jeugd en Gezin hierin een specifieke verantwoordelijkheid. Ten aanzien van beleid met betrekking tot de aanpak kindermishandeling heeft de gemeente Rotterdam daarnaast een eigen taak.

Jeugdzorg Nederland doet jaarlijks onderzoek naar de meldingen kindermishandeling bij het AMK. Daarnaast is er het jaarlijks onderzoek ´Kinderen in tel´ van het Verwey Jonker Instituut. In beide onderzoeken wordt de stadsregio Rotterdam meegenomen. Uitkomsten van deze onderzoeken tonen aan dat Rotterdam in gelijke pas loopt met de overige G4 gemeenten. In 2010 kwamen er 4362 meldingen binnen bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling en 4339 meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling bij het Advies en Steunpunt Huiselijk Geweld centrumgemeente Rotterdam (ASHG). Cijfers 2011 volgen dit jaar in de nieuwe jaarverslagen.

Kindermishandeling en verwaarlozing wordt door een betere verbinding ook vaker, in een vrijwillig kader, naar het CJG toegeleid. Het CJG zal in de nabije toekomst specifiek op kindermishandeling gaan registeren zodat een totaal beeld gegeven kan worden van de mate waarin kindermishandeling wordt opgepakt.

Daarnaast vraagt de Jeugdmonitor Rotterdam expliciet naar mishandeling in de thuissituaties, en of er in de thuissituatie vaak ruzie is. Dit laatste kan duiden op het getuige zijn van geweld. In de laatste monitor (2009) geeft 1% aan thuis geslagen of mishandeld te worden. Dit is 3% bij meisjes in het derde jaar voortgezet onderwijs. Op de vraag ‘er is thuis veel ruzie’ antwoordt 7 tot 9 procent van de jongens en 10 tot 17% van de meisjes positief. Dit is een aanzienlijk hoger aantal. In de gezondheidsmonitor 2008 blijken er in Rotterdam 17.000 gevallen van huiselijk geweld voor te komen. Medio maart van dit jaar verschijnt de eerste tranche (kinderen van 0 tot 4 jaar) van de Rotterdamse Jeugdmonitor met meer recente gegevens. 

Gezien het bestaan van bovengenoemde onderzoeken is er op dit moment geen aanleiding om een nieuw onderzoek te starten.

Vervolgens stelt het raadslid Fähmel:
“Ook betwijfelt de ombudsman of steunpunten voor huiselijk geweld en kindermishandeling voldoende capaciteit hebben om meldingen af te handelen. Er zou vaak niets gedaan worden met meldingen die artsen van kindermishandeling doen. Daarnaast zou de overheid wat de ombudsman betreft meer onderzoek moeten doen naar kindermishandeling in gezinnen waar extra risico bestaat.”

Vraag 2:
Hebben de steunpunten in Rotterdam voldoende capaciteit om meldingen af te handelen?

Antwoord:
Er is bij het opstellen van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis uitgegaan van voldoende capaciteit om de meldingen af te handelen. De praktijk geeft wel aan dat druk bij het ASHG, bureau jeugdzorg en de zorginstellingen zoals het algemeen maatschappelijk werk wel groot is. Ook de onregelmatigheid van het aandienen van crisismeldingen maakt de aanpak complex. Er ontstaat dan enige spanning tussen vraag en aanbod. Het leveren van passende zorg duurt daardoor soms te lang, waardoor een wachtlijst kan ontstaan. De bezuinigingen op zorg en welzijn zullen het spanningsveld vergroten en de opdracht om passende oplossingen te vinden uitdagender maken. De gemeente kan dit niet zelf en heeft daarbij de ketenpartners dan ook hard nodig.
Om doorlooptijden te versnellen werkt het Advies en Steunpunt Huiselijk Geweld momenteel aan de invoering van een triage-instrument, waardoor meldingen aan de hand van criteria worden geprioriteerd. Hierdoor wordt het mogelijk om casuïstiek sneller in het juiste traject te plaatsen. Het streven blijft om casuïstiek eerder in beeld te krijgen, waardoor vaker kortdurende interventies al tot het stoppen van geweld kan leiden. 

Vraag 3:
Herkent u zich in het beeld van de ombudsman dat er vaak niets met de meldingen van huisartsen wordt gedaan en zo ja, hoe gaat u dit aanpakken?

Antwoord:
Wij herkennen dit beeld absoluut niet. Volgens ons doelt de ombudsman op het feit dat binnen de medische sector ziekenhuizen en huisartsenposten vaker melden door de toezichthoudende rol van de Inspectie Volksgezondheid. Dit is ook in de cijfers terug te zien. Het AMK ontvangt juist te weinig meldingen van individuele huisartsen, terwijl deze beroepsgroep een cruciale rol kan spelen in de aanpak kindermishandeling en huiselijk geweld. In het programma Veilig Thuis is juist opgenomen om in 2012 de drempels voor deze beroepsgroep om wel te melden te verlagen. Momenteel worden er samenwerkingsafspraken gemaakt binnen de medische sector, het ASHG en het CJG om de huisarts beter met de aanpak te verbinden.

Vraag 4:
Heeft u in kaart gebracht in welke gezinnen een extra risico bestaat op kindermishandeling en welke maatregelen heeft u genomen om dit risico te beperken?

Antwoord:
Kindermishandeling en huiselijk geweld komt in alle lagen van de bevolking voor. Uiteraard zijn er risicofactoren die de kans op geweld in afhankelijkheidsrelaties doet toenemen. Dit gaat bijvoorbeeld om grote gezinnen, 1-oudergezinnen, werkeloosheid, verslaving, psychiatrische problematiek en 1e generatie niet-westerse allochtonen. Er zijn in Rotterdam diverse maatregelen genomen om deze risicogroepen beter in kaart te krijgen. De Regionale Meldcode Rotterdam-Rijnmond, de verwijsindex SISA en diverse risicotaxatieinstrumenten die door professionals worden gebruikt dragen bij aan het beter en sneller in kaart brengen van risico´s alsmede de inzet van passende interventies.

In Rotterdam en regio zijn de volgende maatregelen in gang gezet: sinds 2011 gebruiken alle verloskundigen in Rotterdam standaard een screeningsformulier voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit is tevens geïmplementeerd op alle CJG’s. Daarnaast is gewerkt aan het signaleren en screenen van mishandeling bij verstandelijk gehandicapten. Dit in samenwerking met de sector, zoals MEE Rotterdam en Pameijer (regionaal werkende instellingen). Het gaat hierbij om trainingen, de inzet van risicotaxatie en het maken van ketenafspraken. Tot slot blijkt het samenbrengen van partijen in het veiligheidshuis een effectief middel om veiligheidsrisico´s in gezinnen tijdig te kunnen pareren.

Vervolgens stelt het raadslid Fähmel:
“Volgens de ombudsman doen de gemeenten te weinig aan het signaleren en oppakken van kindermishandeling. De landelijke overheid wil de jeugdzorg reorganiseren waardoor er meer bureaucratie zou ontstaan. De ombudsman pleit juist voor minder organisaties en meer kwaliteit.”

Vraag 5:
Herkent u zich in het beeld dat de ombudsman schetst?

Antwoord:
Nee. Rotterdam zet al lange tijd stevig in op de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. Rotterdam liep voorop met de invoering van de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling die nu landelijke opvolging krijgt. De gemeente heeft fors geïnvesteerd in trainingen aan professionals inzake het signaleren en oppakken van huiselijk geweld. Daarnaast heeft de lokale samenwerking tussen organisaties en coördinatiestructuren als de Lokale Teams Huiselijk Geweld, het CJG en de DOSA bijgedragen aan het sneller oppakken van casuïstiek in het lokale veld, zonder dat er een melding plaats hoeft te vinden.

Vraag 6:
Welke voorzorgsmaatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de reorganisatie van de jeugdzorg niet ten koste gaat van kwaliteit?

Antwoord:
Door de stelselherziening jeugdzorg wordt de gemeente straks verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdzorg. Een belangrijke doelstelling bij de decentralisatie is het vergroten van de kwaliteit van het totale pakket aan jeugdzorg. Uiteraard hoort daar ook de werkwijze van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) bij. De voorbereidingen voor de stelselwijziging zijn inmiddels in volle gang. Rotterdam neemt hierin een voorloperspositie in. Over onze ideeën ten aanzien van de invulling van de decentralisatie jeugdzorg informeren wij uw raad begin 2012 door middel van het toegezegde programmaplan decentralisatie jeugdzorg.
In het decentralisatieproces zullen de knelpunten en aanbevelingen van onder andere het Kindercollectief worden meenemen. De bescherming van de veiligheid van het kind staat daarbij voor ons voorop.

Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,

De secretaris,
G.B. Raaphorst, l.s.

De burgemeester,
A. Aboutaleb